Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:469

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/2219 ANW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbAlgemene Nabestaandenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in ANW-uitkeringszaak afgewezen

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een uitkeringszaak op grond van de Algemene Nabestaandenwet (ANW). De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de gestelde termijn was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.

Appellante deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. In het verzet stelde zij dat haar overleden partner verzekerd was geweest en dat zij zelf ziek is, geen activiteiten kan ondernemen en geen inkomsten heeft, waardoor zij recht meent te hebben op een ANW-uitkering.

De Raad beperkte de beoordeling in het verzet tot de vraag of de vereenvoudigde behandeling van het hoger beroep terecht was toegepast. Appellante heeft echter niet aangevoerd dat de Raad onterecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan, maar slechts haar eerdere gronden herhaald. Daarom verklaarde de Raad het verzet ongegrond en wees het af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

24/2219 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2024, AMS 23/5342 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 9 april 2026

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 14 februari 2025 heeft de Raad met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, omdat het hoger beroep niet binnen de termijn is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 26 februari 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb, ziet uitsluitend op de vraag of de Raad ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van – in dit geval – het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat de beoordeling van de Raad in deze verzetsprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder appellante op zitting te horen.
In verzet heeft appellante naar voren gebracht dat haar overleden partner verzekerd is geweest. Zij voert verder aan dat zij ziek is, geen activiteiten kan ondernemen en geen inkomsten heeft. Zij vindt dat zij recht heeft op een uitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet.
Appellante heeft niet aangevoerd dat de Raad ten onrechte is overgegaan tot een vereenvoudigde behandeling van haar hoger beroep. Appellante heeft zich beperkt tot een herhaling van de gronden van haar hoger beroep. Het enkel herhalen van die gronden doet geen twijfel ontstaan over het in de uitspraak van 14 februari 2025 door de Raad gegeven oordeel.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
(getekend) K.H. Sanders
De griffier is verhinderd te ondertekenen.