Uitspraak
.
PROCESVERLOOP
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft in maart 2024 een aanvraag ingediend voor erkenning als oorlogsgetroffene op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant de vereiste oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt. Appellant ging hiertegen in beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de zitting op 4 december 2025 heeft appellant, bijgestaan door zijn advocaat en met aanwezigheid van zijn zuster, zijn standpunten toegelicht. De Raad heeft de beschikbare gegevens, waaronder verklaringen van broers en zusters, onderzocht. De verklaringen van de zuster D.A. waren van doorslaggevende betekenis en bevestigden niet dat appellant persoonlijk betrokken was bij de bestorming en mishandeling van zijn moeder.
De Raad oordeelt dat een algemene dreigende situatie rondom de ouderlijke woning niet onder de AOR valt en dat persoonlijke directe betrokkenheid bij een gebeurtenis vereist is. Omdat appellant dit niet heeft kunnen aantonen, wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft het bestreden besluit in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de erkenning als oorlogsgetroffene blijft in stand.