Uitspraak
.
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak gaat het om de vraag of bevestiging kan worden verkregen dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd als bedoeld in de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de aanvraag van appellant om erkenning als oorlogsgetroffene terecht is afgewezen. De Raad is van mening dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in AOR-omstandigheden heeft verkeerd. De Raad heeft de beschikbare gegevens, waaronder de verklaringen van de broers en zusters van appellant, in overweging genomen. Het oordeel van de Raad is dat er geen bewijs is dat appellant de bestorming en mishandeling van zijn moeder heeft meegemaakt. De Raad heeft vastgesteld dat de door appellant gestelde dreigende situatie rondom de ouderlijke woning niet onder de werking van de AOR kan worden gebracht, omdat er geen bewijs is dat appellant persoonlijk direct betrokken is geweest bij een gebeurtenis die onder de AOR valt. Het beroep van appellant is dan ook ongegrond verklaard, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.