ECLI:NL:CRVB:2026:486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 35% bedraagt per 18 september 2020. Appellante stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan het UWV heeft vastgesteld, onderbouwd met rapporten van een psychiater en een multidisciplinair expert.
De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen objectieve medische onderbouwing was voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De Centrale Raad van Beroep heeft een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige benoemd, die concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van beperkingen per datum in geschil en dat de beperkingen reeds adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn verwerkt.
De Raad volgt het deskundigenrapport en oordeelt dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen blijft in stand.