Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:489

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/951 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met rug- en knieklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar en een nieuwe medische beoordeling bleef het besluit ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar pijn- en mentale klachten onvoldoende waren onderzocht en dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met haar beperkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat er geen nieuwe medische gegevens waren die tot een ander oordeel leidden, en dat appellante niet onder behandeling stond voor haar mentale klachten op de datum in geding.

De arbeidskundige beoordeling werd niet betwist in hoger beroep. De Raad concludeert dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/951 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025, 24/5725 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 8 juni 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 11 maart 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als orderpicker voor 38,70 per week. Op 10 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met rugklachten en knieklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juli 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 9 november 2022 geweigerd appellante met ingang van 8 juni 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 23 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen een nieuwe FML van 7 mei 2024 en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en heeft het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct vastgesteld. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. In het rapport van 7 mei 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat door de primaire arts terecht een FML is opgesteld. Bij appellante is sprake van een chronisch pijnsyndroom met pijnklachten aan de rechterkant van het lichaam. Voor de pijnklachten in het hoofd, handen, benen en op cardiologisch gebied is echter geen duidelijke medische verklaring. Verder is appellante bekend met stabiele astma, een milde OSAS (slaapapneu) die geen behandeling behoeft, een goed gereguleerde diabetes type 2 en hypertensie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de primaire arts, uitgaande van dit ziektebeeld, appellante terecht beperkt geacht ten aanzien van zware rug- en beenbelastende factoren. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om een extra beperking in de FML op te nemen, ten aanzien van langdurige blootstelling aan ongunstige omgevingseisen wegens de astma van appellante. Verder is de arm-, rug- en beenbelasting bijgesteld, gelet op de in bezwaar aanwezige specialistische informatie en de aard en de ernst van de onderliggende medische problematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast, om systeemtechnische redenen, de toelichtingen die door de primaire arts in de FML zijn gegeven bijgesteld. Voor het aannemen van verdergaande beperkingen in de FML is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische grond aanwezig. Hiermee is de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank op navolgbare wijze op de medische beroepsgronden ingegaan. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. De beroepsgrond van appellante dat zij ongeschikt moet worden geacht voor de geduide functies, slaagt niet. In het rapport van 14 augustus 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat de geduide functies passend zijn bij de in bezwaar opgestelde FML. De functies sluiten volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan bij de opleidingseis die geldt voor appellante, zijnde afgerond basisonderwijs. In het licht van wat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft meegedeeld in reactie op de beroepsgronden van appellante komt de rechtbank tot het oordeel dat wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv haar pijnklachten niet voldoende heeft onderzocht. Er is geen medische informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Appellante heeft duidelijk aangegeven dat zij naast de lichamelijke klachten ook te kampen heeft met mentale klachten en heeft de verzekeringsarts gevraagd om hier nader onderzoek naar te doen, hetgeen niet is gebeurd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende rekening gehouden met de aard en ernst van deze klachten en de bijbehorende beperkingen. Hierdoor is de medische beoordeling onvolledig en onzorgvuldig geweest. De rechtbank heeft daarnaast ten onrechte gesteld dat appellante geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die aanleiding zouden geven tot twijfel. De medische situatie is immers reeds bekend en helder: de klachten zijn blijvend en beperken haar belastbaarheid in aanzienlijke mate.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daar wordt nog het volgende aan toegevoegd.
5.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Door het Uwv is navolgbaar gemotiveerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep over voldoende gegevens beschikte om tot een verzekeringsgeneeskundige heroverweging in het kader van de bezwaarprocedure te komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek gedaan en appellante op het spreekuur gezien en daarbij een lichamelijk en psychisch onderzoek uitgevoerd. Raadpleging van de behandelend sector was niet aangewezen omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over de door appellante overgelegde gegevens van de behandelende sector. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Het standpunt van appellante dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar mentale klachten, wordt ook niet gevolgd. Appellante stond voor deze klachten op de datum in geding niet onder behandeling. Dat de inschatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen niet juist is geweest, heeft appellante ook in hoger beroep niet met objectief medische gegevens onderbouwd.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
In hoger beroep zijn geen arbeidskundige gronden aangevoerd. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor haar.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) G.T. Hunsel