ECLI:NL:CRVB:2026:49
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering van Wajong-uitkering aan appellant wegens gebrek aan arbeidsvermogen op achttiende verjaardag
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om hem een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1990, stelde dat hij op zijn achttiende verjaardag en in de vijf jaren daarna duurzaam geen arbeidsvermogen had en daarom als jonggehandicapte moest worden aangemerkt. Het Uwv had echter vastgesteld dat appellant na zijn achttiende verjaardag arbeidsongeschikt was geworden, maar niet eerder. De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv ongegrond verklaard, wat appellant in hoger beroep aanvecht.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting op 3 december 2025, waar appellant en zijn gemachtigde niet verschenen, maar het Uwv werd vertegenwoordigd door mr. J.M. Breevoort. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellant niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt, omdat er geen bewijs was dat hij op zijn achttiende verjaardag beperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek. De Raad volgde de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering had geweigerd. De gronden die appellant in hoger beroep aanvoerde, waren in wezen herhalingen van eerdere argumenten en werden niet als voldoende onderbouwd beschouwd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen recht had op een Wajong-uitkering, wat betekent dat de weigering van het Uwv in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht, aangezien het hoger beroep niet slaagde.