ECLI:NL:CRVB:2026:49

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
25/669 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Wajong-uitkering aan appellant wegens gebrek aan arbeidsvermogen op achttiende verjaardag

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om hem een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1990, stelde dat hij op zijn achttiende verjaardag en in de vijf jaren daarna duurzaam geen arbeidsvermogen had en daarom als jonggehandicapte moest worden aangemerkt. Het Uwv had echter vastgesteld dat appellant na zijn achttiende verjaardag arbeidsongeschikt was geworden, maar niet eerder. De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv ongegrond verklaard, wat appellant in hoger beroep aanvecht.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting op 3 december 2025, waar appellant en zijn gemachtigde niet verschenen, maar het Uwv werd vertegenwoordigd door mr. J.M. Breevoort. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellant niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt, omdat er geen bewijs was dat hij op zijn achttiende verjaardag beperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek. De Raad volgde de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering had geweigerd. De gronden die appellant in hoger beroep aanvoerde, waren in wezen herhalingen van eerdere argumenten en werden niet als voldoende onderbouwd beschouwd.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen recht had op een Wajong-uitkering, wat betekent dat de weigering van het Uwv in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht, aangezien het hoger beroep niet slaagde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2025, 24/7595 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op [geboortedatum] 2008 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) en in de periode van vijf jaar daarna duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1990, heeft met een door het Uwv op 14 september 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij in 2017 is opgenomen met een psychose en hij in november 2017 is gediagnosticeerd met schizofrenie. Met een besluit van 20 september 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat appellant na zijn achttiende verjaardag arbeidsongeschikt is geworden.
1.2.
Bij besluit van 26 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft van belang geacht dat appellant een zogenaamde laattijdige aanvraag heeft gedaan en dat bij een dergelijke aanvraag een retrospectieve beoordeling moet plaatsvinden. Volgens vaste rechtspraak ligt de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Dit betekent dat het voor risico komt van de aanvrager als onvoldoende gegevens over zijn gezondheidstoestand en over de arbeidskundige situatie in het betreffende tijdvak beschikbaar zijn. Dat is bij de aanvraag van appellant naar het oordeel van de rechtbank het geval. De medische informatie die appellant in bezwaar heeft ingediend ziet slechts op een periode van twee weken in september 2013 toen hij in Turkije verbleef en niet op zijn situatie op achttienjarige leeftijd of over periode van vijf jaar daarna. De in 2017 gestelde diagnose schizofrenie heeft het Uwv onvoldoende kunnen achten om het arbeidsvermogen op de achttiende verjaardag vast te stellen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft erop gewezen dat hij in de zomer van 2013, een aantal maanden na zijn 23e verjaardag, voor het eerst een psychose heeft gehad en hij zich toen onder behandeling van een psychiater heeft laten stellen. Appellant heeft verder gewezen op de website van [x] waarop is gesteld dat er geen eenduidige oorzaak is aan te wijzen voor een psychose en dat mensen uit een niet-westers land die in een westers land zijn gaan wonen een grotere kans hebben op het krijgen van een psychose. Appellant heeft gesteld dat een psychose het meest voorkomt bij personen tussen de zestien en de dertig jaar. Volgens appellant had hij gezien de ernst van zijn ziekte en beperkingen al op zijn achttiende duurzaam geen arbeidsvermogen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 26 juni 2025 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid van de Wajong is (voor zover hier van belang) jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het tweede lid wordt alsnog als jonggehandicapte aangemerkt: de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek ondervond op het achttiende jaar.
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit over de geweigerde Wajong-uitkering. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het Uwv de ernst van de ziekte van appellant heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 juni 2025 navolgbaar toegelicht dat de eerste documentatie van de psychotische klachten van appellant dateert van na zijn achttiende (en overigens ook na zijn drieëntwintigste) verjaardag, toen een Turkse arts op 14 september 2023 de diagnose acute en passagère psychotische stoornis heeft gesteld. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat appellant al op het achttiende jaar beperkingen had ten gevolge van ziekte of gebrek.
5.4.
Wat appellant heeft aangevoerd over de website van [x] en over psychoses leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn standpunt dat een psychotische stoornis een stoornis is die op elk moment in het leven kan ontstaan en dat de informatie op de website van [x] weliswaar wijst op een verhoogd risico voor een specifieke groep, maar daarmee nog niet ziet op de individuele situatie van appellant.
5.5.
Uit wat in 5.3 en 5.4 is overwogen, volgt dat op de achttiende verjaardag van appellant geen beperkingen kunnen worden vastgesteld. Dat betekent dat in de vijf jaren daarna geen sprake kan zijn van toegenomen beperkingen als bedoeld in artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong.
5.6.
Uit 5.2 tot en met 5.4 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna niet als jonggehandicapte is aan te merken, zodat hij niet in aanmerking komt voor een Wajonguitkering.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah