Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:490

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
24/1238 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering bevestigd

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, die was vastgesteld op 59,21% per 12 juli 2021. Hij stelde dat hij meer beperkingen heeft dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn, en verzocht om een IVA-uitkering en een onafhankelijke arbeidsdeskundige.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en er geen medische gegevens waren die tot een ander oordeel leidden. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als voldoende gemotiveerd beschouwd.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad oordeelde dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek niet onzorgvuldig was, dat de medische beoordeling juist was en dat de arbeidskundige selectie van functies passend was. Het rapport van de door appellant overgelegde arbeidsdeskundige leidde niet tot een ander oordeel. Het verzoek om een onafhankelijke arbeidsdeskundige werd afgewezen.

De Raad concludeerde dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering en dat het bestreden besluit in stand blijft. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding en proceskosten afgewezen.

Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 59,21% en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 mei 2024, 23/545 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 12 juli 2021 heeft vastgesteld op 59,21%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom en om andere redenen kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Voor appellant is zijn vader [naam vader] verschenen, bijgestaan door mr. Bos. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als packaging operator voor 34,31 uur per week. Op 10 april 2017 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 8 april 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 38,99%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 23 augustus 2020 een WGA-vervolguitkering toegekend.
1.2.
Op 25 mei 2022 heeft appellant verzocht om een herbeoordeling, omdat zijn gezondheid is verslechterd. Daarop heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 juli 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant nog steeds niet geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 37,75%. Het Uwv heeft bij besluit van 25 juli 2022 vastgesteld dat de WIA-uitkering van appellant niet wijzigt.
1.3.
Bij besluit van 14 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij hoger vastgesteld op 59,21% en aan appellant is met ingang van 12 juli 2021 een WGA-vervolguitkering toegekend in de klasse 65-80% (lees: 55-65%). Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een gewijzigde FML van 19 december 2022 ten grondslag. In deze FML is opgenomen dat appellant gemiddeld ongeveer vier uur per dag kan werken, met de toelichting dat hij is in staat tot en met vijf uur per dag te werken en dat hij gemiddeld ongeveer twintig uur per week kan werken met de toelichting tot en met 24 uur per week.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig verricht en is er geen reden voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de urenbeperking in het nadere rapport van 12 maart 2024 ook voldoende toegelicht. Daarin is toegelicht dat bedoeld is dat appellant maximaal vijf uur per dag en maximaal 25 uur per week kan werken. Bij haar oordeel heeft de rechtbank betrokken dat appellant in beroep geen medische informatie heeft overgelegd en ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van appellant. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, omdat hij niet lichamelijk is onderzocht. Volgens appellant hebben de verzekeringsartsen verder onvoldoende rekening gehouden met zijn dagverhaal, zijn bedlegerigheid en zijn psychische klachten. Appellant heeft gesteld dat de urenbeperking van vijf uur per dag onvoldoende is voor hem en dat hij recht heeft op een IVA-uitkering. Volgens appellant zijn de geselecteerde functies niet geschikt voor hem, omdat hij geen vijf uur per dag kan werken en omdat zijn belastbaarheid wordt overschreden op de aspecten deadlines en productiepieken, op tillen en hoofdbewegingen maken en op gebogen en getordeerd actief zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van 7 juli 2025 van arbeidsdeskundige K. Hendrikx overgelegd. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke arbeidsdeskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 23 september 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 59,21% per 12 juli 2021 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De beroepsgrond dat dit niet het geval is, omdat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, slaagt niet. Het is aan de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) om te beoordelen of appellant lichamelijk onderzocht moest worden. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 12 juli 2022, waarin hij heeft geconcludeerd dat geen verandering is opgetreden in klachten en belemmeringen, op toereikende wijze uiteengezet waarom een lichamelijk onderzoek voor zijn beoordeling geen toegevoegde waarde had. Daarbij had de verzekeringsarts bevindingen van op 24 januari 2022 verricht neurologisch onderzoek bij Medisch Centrum Zuyderland tot zijn beschikking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat sprake was van een toename van slaapbehoefte en daarom een urenbeperking aangenomen. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich op basis van de beschikbare gegevens een onjuist of onvolledig beeld heeft gevormd van de medische situatie van appellant op de datum in geding of dat gezien de medische klachten van appellant een lichamelijk onderzoek aangewezen was.
5.3.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische stukken ingebracht om zijn andersluidende standpunt te onderbouwen. De beroepsgrond dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening gehouden met zijn dagverhaal, zijn bedlegerigheid en zijn psychische klachten, slaagt niet. Met de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar rekening gehouden en daarbij is informatie van de neuroloog en huisarts betrokken. De verzekeringsarts heeft bij psychisch onderzoek op 4 mei 2022 een sombere stemming vastgesteld, maar geen concentratieproblemen. Hoewel een duidelijke diagnose ontbreekt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het overmatig slapen van appellant en het dagverhaal aanleiding gezien om appellant te beperken in werktijden. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat een verdergaande urenbeperking dat voor maximaal vijf uur per dag en 25 uur per week had moeten worden aangenomen.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn. Op hoofdbewegingen maken en gebogen en/of getordeerd actief zijn in de FML geen beperkingen aangenomen en het Uwv heeft navolgbaar toegelicht dat geen van de geselecteerde functies een kenmerkende belasting kent op deadlines en productiepieken.
5.5.
Het rapport van 7 juli 2025 van arbeidsdeskundige Hendrikx leidt niet tot een ander oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 september 2025 terecht opgemerkt dat, gelet op de inhoud van het rapport van arbeidsdeskundige Hendrikx, niet is gebleken dat Hendrikx het rapport van 12 maart 2024 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij haar beoordeling heeft betrokken en Hendrikx ten onrechte is uitgegaan dat voor appellant een urenbeperking geldt van maximaal 4,8 uur per dag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom de overige arbeidsdeskundige gronden evenmin slagen. Van onvoorspelbare werksituaties in de functie postbezorger is geen sprake nu de functie voor 90% van de tijd bestaat uit fijnsorteren aan het bureau en voor 10% uit grofsorteren snij-/sorteerkamer, uitsorteren postvakken. De stelling van Hendrikx dat poeder- of bombrieven kunnen binnenkomen op de sorteerkamer, leidt niet tot een ander oordeel. Dit is een theoretische mogelijkheid die geen direct verband houdt tot de functiebelasting. Wat betreft de signalering op tillen tijdens werk in de functie medewerker postverzorging heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat met een tilhulp geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid. Een tilhulp kan ook worden ingezet bij gebruik van een rolcontainer. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan verder worden gevolgd in zijn reactie dat in de functie klantadviseur het tot één keer per maand telefonisch hanteren van een onredelijke of boze klant past binnen de in de FML opgenomen belastbaarheid op dit punt, die inhoudt dat appellant een conflict met agressieve of onredelijke mensen (uitsluitend) in telefonisch of schriftelijk contact kan hanteren.
5.6.
Omdat twijfel aan de arbeidskundige beoordeling ontbreekt, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een onafhankelijk arbeidsdeskundige.
5.7.
Uit 5.2 tot en met 5.6 volgt dat de beroepsgrond dat appellant recht heeft op een IVA-uitkering niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 59,21% in stand blijft en dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.