Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
NOW-1
Artikel 1. Begripsbepaling
Artikel 3. Doel van de subsidie
Artikel 4. Voorwaarden voor subsidieverlening
Artikel 6. Omzetdaling
Artikel 7. Hoogte van de subsidie
(…)
Artikel 14. Subsidievaststelling(…)
Artikel 4:46 van Pro de Awb
Artikel 2:24b van het BW
Bijlage: regelgeving
Bijlage 2: T&C bij art. 2:24 BW Pro
Bijlage 3: Asser/Kroeze 2-I 2021/261
Stb.1971, 289;
Kamerstukken10751); zie o.m. art. 52c en 52e WvK (oud), en de invoering van de WOR 1971 (
Stb.1971, 54;
Kamerstukken10335); zie art. 1 lid 5 WOR Pro 1971 (oud). In de MvT van het ontwerp van de Wet structuurregeling staat dat met die term is bedoeld: een groep van naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemingen die door kapitaaldeelneming of anderszins met elkaar zijn verbonden en waarvan het centrale beleid in de top wordt bepaald. Zie
Bundel NV en BV, p. Ixf-art. III-2; vgl. Honée,
VHI 211981/19-1 en 26 (diss.).
Stb.1983, 663;
Kamerstukken16326), werd in lid 4 van art. 2:76/2:187 BW (oud) bepaald dat een rechtspersoon of vennootschap die met
de NVc.q. BV in een groep is verbonden, wordt aangeduid als groepsmaatschappij. In de MvT wordt onder meer gezegd dat men in het algemeen van een groep zal kunnen spreken, indien een aantal ondernemingen als een economische eenheid onder gemeenschappelijke leiding optreedt; de band tussen hen zal gewoonlijk als kapitaaldeelneming zijn uitdrukking vinden. Zie
Bundel NV en BV, p. Ixq-art. 24b-1. Bij de Wet van 10 november 1988 (
Stb.1988, 517;
Kamerstukken19813; aanpassing aan zevende EEG-richtlijn; geconsolideerde jaarrekening), werd de huidige tekst van art. 2:24b BW opgenomen. In de MvT staat dat de geringe wijziging in de omschrijving van het begrip groep geen verandering brengt in de betekenis die daaraan in het gangbare juridische spraakgebruik wordt gehecht. In de toelichting wordt benadrukt dat het antwoord op de vraag of het begrip centrale leiding wezenlijk is voor het vaststellen van een groepsband, naar het inzicht van de minister naar geldend en komend recht eender is. Zie
Bundel NV en BV, p. Ixq-art. 24b-3.
Bundel NV en BV, p. Ixq-40; Bartman, Dorresteijn & Olaerts,
Concern2020/2.2.1.
Bundel NV en BV, p. Ixq-art. 24b-1. Niet alleen kapitaaldeelneming maar ook contractuele voorzieningen kunnen de bedoelde organisatorische verbondenheid teweegbrengen. Men denke aan overeenkomsten tot samenwerking bijvoorbeeld gericht op het tot stand brengen van personele unies, pool- en egalisatieovereenkomsten. Die overeenkomsten kunnen worden gecombineerd met statutaire voorzieningen. Aldus kunnen groepen op basis van nevenschikking bestaan, zoals bij Unilever en voorheen bij Koninklijke/Shell.
Concern2020/2.2.1.
Bundel NV en BV, p. Ixq-40. In het voetspoor van Timmerman,
IVO 41988, p. 54 (diss.) en Van Achterberg,
VHI 331989, p. 82 (diss.), meen ik dat er (reeds) centrale leiding is indien sprake is van het voeren van een gemeenschappelijke strategie en het op basis hiervan plannen, coördineren en controleren van het beleid van de onderhorige groepsmaatschappijen. De belangrijkste aanwijzing voor het bestaan van een dergelijke centrale leiding is de aanwezigheid van een gecentraliseerd planning- en controlesysteem; zie Van Achterberg,
VHI 331989, p. 34, 51 en 82 (diss.). Een noodzakelijk complement van (maar niet het enig vereiste voor) centrale leiding is dat deze moet kunnen worden ‘doorgezet’, zo nodig tegen de wil van de bestuurders van de ondergeschikte vennootschappen. Zie Honée,
VHI 211981/19.1 (diss.), en verder
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb2019/158. Zie Rb. Amsterdam 22 mei 2006,
JOR2006/178 (Ahold) voor een uitleg van art. 2:24b BW in verband met het begrip ‘centrale leiding’ in de consolidatieverplichting van art. 2:406 BW Pro.