Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker en later operator, meldde zich ziek met klachten aan de rechtervoet en vroeg om een WIA-uitkering per 24 oktober 2019. Het UWV weigerde deze uitkering toe te kennen omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 10 mei 2016. De medische onderzoeken, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, concludeerden dat de beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV.
Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er wel degelijk sprake was van toegenomen beperkingen. Tevens voerde hij aan dat het UWV had gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat een gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat hij recht had op een WIA-uitkering per 24 oktober 2019. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen toename van beperkingen was. Echter, de Raad stelde vast dat het UWV met het voornemen van 24 april 2024 een toezegging had gedaan die een gerechtvaardigde verwachting bij appellant had gewekt.
De Raad voerde een belangenafweging uit waarbij het belang van appellant bij nakoming van de toezegging zwaarder woog dan het belang van het UWV om een uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel te voorkomen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan appellant vergoed.