ECLI:NL:CRVB:2026:496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uwv om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij meent meer beperkingen te hebben dan door het Uwv is vastgesteld. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het Uwv vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en selecteerde passende functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat er geen nieuwe medische gegevens waren die het standpunt van het Uwv ondermijnden. Appellante voerde aan dat haar incontinentie, psychische klachten en medicatiegebruik meer beperkingen opleveren dan erkend, maar deze stellingen werden niet gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische beoordeling juist en voldoende gemotiveerd is. De stressincontinentie en psychische klachten zijn adequaat meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst, en er is geen reden voor een urenbeperking of extra beperkingen op concentratie en aandacht. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.