Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:502

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
24/1771 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 1 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV; geen vergoeding reiskosten echtgenote

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV appellant tegemoet door een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij een IVA-uitkering werd toegekend met ingang van 17 juni 2022. Naar aanleiding hiervan trok appellant het hoger beroep in en verzocht het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige en heropende het onderzoek, maar na het intrekken van het hoger beroep werd het onderzoek gesloten zonder nadere zitting. De Raad beoordeelde de proceskosten en wees een vergoeding toe van € 2.376,64, inclusief het griffierecht, maar wees de vergoeding van de reiskosten van de echtgenote af omdat deze niet onder de kosten vallen die op grond van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden.

De Raad motiveerde dat de zaak geen bovengemiddeld gewicht had en dat de gemaakte kosten in hoger beroep passend waren begroot. De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek, waarbij het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, maar niet tot vergoeding van de reiskosten van de echtgenote van appellant.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1771 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2024, 22/2947 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 april 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.A.J. Slaats, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 februari 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Slaats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en psychiater drs. J.J.D. Tilanus als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 18 augustus 2025 gerapporteerd.
Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2025 heeft het Uwv appellant met ingang van 17 juni 2022 een IVA-uitkering toegekend.
Op 30 december 2025 heeft mr. Slaats namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nadere reactie gegeven.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit en het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2025 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar. Aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak al over de proceskosten in verband met de procedure in beroep heeft beslist, staan nog slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling.
De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en een 0,5 punt voor de zienswijze), en een wegingsfactor 1. Anders dan appellant stelt, is van een zaak van bovengemiddeld gewicht, waarvoor wegingsfactor 1,5 zou moeten worden gehanteerd, geen sprake. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van de gemiddelde afwijkende zaak. De omstandigheid dat de gemachtigde een nieuwe en moeilijk te verwerken diagnose met appellant heeft moeten bespreken, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een zaak van bovengemiddeld gewicht.
De reiskosten van de echtgenote van appellant komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb is bepaald dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in art. 8:75 Awb Pro uitsluitend betrekking kan hebben op reis- en verblijfkosten van een partij. De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de Raad komen tot een bedrag van € 41,64 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking.
In totaal komen de te vergoeden kosten in hoger beroep op € 2.376,64.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank al bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht in beroep moet vergoeden. Het Uwv dient ook het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.376,64;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.D.F. de Moor