ECLI:NL:CRVB:2026:506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering terecht bevestigd in hoger beroep
Appellant werkte als assistent kok en meldde zich ziek met klachten zoals burn-out en schouderklachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 11 juni 2023 omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn medische beperkingen niet juist waren vastgesteld, met name zijn mentale klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts geen aanwijzingen zag voor een ernstige depressie op de datum van beëindiging. Het rapport van een medisch adviseur in het kader van de Participatiewet leidde niet tot een ander oordeel. De arbeidsdeskundige heroverwoog enkele functies, maar concludeerde een geringe arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe medische stukken in. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de ZW-uitkering door het UWV terecht is.