ECLI:NL:CRVB:2026:52

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/2245 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvraag WAO-uitkering onder Wet WIA na ziekte

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2023, waarin zijn beroep tegen een besluit van het Uwv niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant had op 10 april 2022 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO), maar het Uwv heeft deze aanvraag afgewezen en aangemerkt als een aanvraag onder de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De Raad voor de Rechtspraak heeft op 8 januari 2026 uitspraak gedaan. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij de voorgeschreven wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht. De Raad heeft het hoger beroep van appellant gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit van het Uwv gegrond verklaard. Het Uwv moet het door appellant betaalde griffierecht vergoeden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2023, 22/5629 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het verzoek van appellant om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WAO terecht heeft beoordeeld onder het regime van de Wet WIA en zo ja, of het Uwv dit verzoek dan terecht heeft afgewezen omdat appellant de voorgeschreven wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht. De Raad beantwoordt beide vragen bevestigend.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 juni 2024. Partijen zijn niet verschenen.
De Raad heeft het onderzoek na afloop van de zitting heropend en vragen aan het Uwv gesteld.
Het Uwv heeft op 17 september 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
De Raad heeft nadere vragen aan het Uwv gesteld.
Het Uwv heeft, onder intrekking van de beslissing op bezwaar van 17 september 2024, op 25 maart 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft zijn zienswijze ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft het Uwv bij brief van 10 april 2022 verzocht om hem een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO) toe te kennen. Met een besluit van 18 mei 2022 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een besluit van 2 augustus 2016, waarbij eenzelfde verzoek buiten behandeling is gesteld omdat appellant niet de door het Uwv benodigde gegevens om dit te kunnen beoordelen heeft aangeleverd. Het bezwaar dat appellant tegen het besluit van 18 mei 2022 heeft ingediend, heeft het Uwv met een besluit van 3 oktober 2022 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard
.
3. Appellant is het niet eens met deze uitspraak van de rechtbank
.
Nieuw besluit
4. Met de beslissing op bezwaar van 25 maart 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het verzoek van appellant van 10 april 2022 aangemerkt als een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en geconcludeerd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij de voorgeschreven wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht.
5. Appellant is het niet eens met bestreden besluit 2 en heeft aangevoerd dat hij recht heeft op een WAO-uitkering en het Uwv een nieuwe beoordeling moet uitvoeren.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad bestreden besluit 2 mede in de beoordeling betrekken. Aangezien de beslissing op bezwaar van 17 september 2024 bij bestreden besluit 2 is ingetrokken valt deze buiten de beoordeling. Omdat het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, beoordeelt de Raad het beroep van rechtswege tegen bestreden besluit 2.
6.1.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond moet worden verklaard, bestreden besluit 1 moet worden vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, noch op een WAO-uitkering.
Het toepasselijke regime
6.2.
Op 29 december 2005 is de Wet WIA in werking getreden. De Wet WIA is de opvolger van de WAO. Werknemers die na 1 januari 2004 ziek zijn geworden vallen onder het regime van de Wet WIA. [1] Omdat appellant op 24 oktober 2005 ziek is geworden, zoals blijkt uit zijn aangifte van arbeidsongeschiktheid, heeft het Uwv zijn verzoek terecht aangemerkt als een aanvraag op grond van de Wet WIA en niet van de WAO.
De wachttijd
6.3.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA geldt voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet, voor hem een wachttijd van 104 weken. Het Uwv heeft uiteengezet dat sprake is van een laattijdige aanvraag, aangezien appellant zijn verzoek van 10 april 2022 ruim 16 jaar na 24 oktober 2005 heeft ingediend, zodat de bewijslast en dus het bewijsrisico op hem rust. Volgens het Uwv is niet gebleken dat appellant vanaf 24 oktober 2005 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. De uitkering op grond van de Ziektewet die appellant ingaande 24 oktober 2005 heeft ontvangen, is per 1 februari 2006 beëindigd, omdat hij niet (meer) door ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Daarnaast heeft appellant geen gegevens ingediend waaruit naar voren komt dat hij vanaf 24 oktober 2005 wel 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. De Raad onderschrijft dit standpunt en de overwegingen waarop het is gebaseerd.

Conclusie en gevolgen

7. Zoals uit 6.1 volgt, slaagt het hoger beroep, wordt de aangevallen uitspraak vernietigd en wordt het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, wordt bestreden besluit 1 vernietigd en wordt het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, noch op een WAO-uitkering. Het Uwv dient het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2023;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 3 oktober 2022 gegrond en vernietigt dit besluit;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 25 maart 2025 ongegrond;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) D.M.A. van de Geijn