ECLI:NL:CRVB:2026:529
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens laattijdige indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 21 april 2026 uitspraak gedaan over een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022. Het hoger beroep is ingesteld door appellante, vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde.
De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan de dag na bekendmaking van de uitspraak. De aangevallen uitspraak is op 23 december 2022 aan partijen toegezonden, waardoor de beroepstermijn liep tot 4 februari 2023. Het beroepschrift is echter pas op 20 januari 2025 ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn.
De gemachtigde voerde aan dat hij pas in januari 2025 kennis had genomen van de uitspraak en dat de termijn daarom pas toen zou zijn gaan lopen. De Raad verwierp dit standpunt omdat de termijn volgens de wet begint te lopen vanaf de dag na de bekendmaking van de uitspraak, ongeacht wanneer de gemachtigde de uitspraak daadwerkelijk ontvangt.
Omdat de gemachtigde een professionele rechtsbijstandverlener is, wordt van hem verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende termijnen en tijdig navraag doet. Het nalaten hiervan leidt ertoe dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Er waren geen bijzondere persoonlijke omstandigheden of fouten van het bestuursorgaan die de overschrijding rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling van het geschil. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens laattijdige indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.