ECLI:NL:CRVB:2026:534
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning AOW-pensioen van 12% wegens niet-verzekering in Nederland
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om hem een AOW-pensioen toe te kennen van slechts 12% van een volledig pensioen, omdat hij volgens de Svb in totaal 44 jaar niet in Nederland verzekerd was geweest. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in de periode van 1 november 1990 tot 1 januari 2001 verzekerd was geweest, omdat hij een WAO-uitkering ontving met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, in tegenstelling tot het lagere percentage van 25-35% dat de Svb en rechtbank hanteerden. De Raad oordeelde dat dit niet klopt, omdat uit de stukken blijkt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 1 november 1990 was verlaagd naar 25-35%, bevestigd door latere besluiten.
Verder stelde appellant dat hij niet de gelegenheid had gekregen om zijn beroep mondeling toe te lichten, maar de Raad verwierp dit omdat de rechtbank conform artikel 8:57 Awb Pro had gehandeld door het onderzoek ter zitting achterwege te laten nadat partijen waren gewezen op hun recht om gehoord te worden en appellant niet had gereageerd.
Het hoger beroep werd afgewezen, en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot toekenning van 12% AOW-pensioen blijft in stand.