ECLI:NL:CRVB:2026:535
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig melden huwelijk en samenwonen bij AOW-herziening
Appellant ontving aanvankelijk AOW-pensioen naar de norm van een ongehuwde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen met terugwerkende kracht naar de gehuwdenorm vanaf 1 januari 2021, nadat uit een onderzoek bleek dat appellant was gaan samenwonen en getrouwd was. De Svb vorderde het ten onrechte betaalde pensioen terug en legde een boete op van € 513,39, gelijk aan 50% van het benadelingsbedrag.
Appellant voerde aan dat hij zijn huwelijk telefonisch in april 2021 had gemeld en later trouwaktes had toegestuurd, en dat de coronapandemie communicatie bemoeilijkte. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de boete ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant de samenwoning en het huwelijk niet tijdig had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt. Er was geen bewijs dat het huwelijk voor januari 2023 was gemeld. De omstandigheden, waaronder de coronapandemie, rechtvaardigden geen vermindering van de boete. Ook waren er geen dringende redenen om van de boete af te zien, en de boete werd niet als onevenredig beschouwd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De boete van 50% van het benadelingsbedrag wegens niet tijdig melden van samenwonen en huwelijk wordt bevestigd.