ECLI:NL:CRVB:2026:536

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/2307 AOW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene ouderdomswetAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening AOW-pensioen naar gehuwdennorm met terugwerkende kracht

Appellant ontvangt sinds mei 2015 een AOW-pensioen volgens de ongehuwdennorm. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft op 27 augustus 2020 het recht op AOW-pensioen herzien naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016, omdat appellant in 2015 is getrouwd. Dit besluit is in rechte onherroepelijk geworden.

Appellant verzocht later om terug te komen op dit besluit, maar de Svb wees dit af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en het besluit niet onmiskenbaar onjuist was. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en handhaafde het besluit.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat een nieuwe verklaring van een getuige nieuw licht op de zaak werpt en dat het besluit onmiskenbaar onjuist is. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant zich beperkte tot herhaling van eerdere gronden, die door de rechtbank afdoende waren gemotiveerd. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

De Raad kende geen proceskostenvergoeding toe aan appellant. De uitspraak bevestigt dat het AOW-pensioen terecht is vastgesteld naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht en dat het verzoek tot herziening niet slaagt.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2307 AOW
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 september 2024, 23/3659 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 april 2026
Zitting heeft: L.M. Tobé
Griffier: N. Gios
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Van de zijde van appellant is niemand verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans
.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Appellant ontvangt sinds mei 2015 een AOW [1] -pensioen naar de norm van een ongehuwde.
1.2.
Met een besluit van 27 augustus 2020 heeft de Svb het recht op AOW-pensioen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016 herzien naar de norm van een gehuwde, omdat appellant op [datum] 2015 is getrouwd. Dit besluit is in rechte vast komen te staan.
1.3.
Met een besluit van 5 oktober 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 november 2023, heeft de Svb het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 27 augustus 2020 afgewezen. Volgens de Svb heeft appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb [2] aangevoerd en is ook niet gebleken dat het besluit onmiskenbaar onjuist was. De Svb ziet ook geen reden om het AOW-pensioen voor de toekomst te wijzigen, omdat appellant nog steeds getrouwd is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hierbij, voor zover van belang, overwogen dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb geen sprake is. De door appellant overgelegde verklaring van [X] was ten tijde van het besluit van 27 augustus 2020 weliswaar nog niet bekend, maar [X] had zijn verklaring eerder kunnen doen en appellant had deze dan ook eerder kunnen overleggen. Dat dat niet kon, is niet gebleken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is. De rechtbank volgt de Svb in het standpunt dat van een onmiskenbaar onjuist besluit als bedoeld in beleidsregel SB1076 geen sprake is. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat dat appellant niet eerder heeft aangevoerd dat er een getuige was van zijn melding bij de Svb dat hij gehuwd was en dat de verklaring van [X] weinig gedetailleerd is.
Standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij voert – kort samengevat aan – dat de verklaring van [X] wel een nieuw feit is en dat het besluit van 27 augustus 2020 wel onmiskenbaar onjuist is. De verklaring van [X] werpt volgens appellant nieuw licht op de zaak en de Svb heeft zijn melding kennelijk niet goed geregistreerd.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Appellant heeft zich in hoger beroep beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.2.
De Raad is het eens met de overwegingen van de rechtbank en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.
4.3.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. Gios (getekend) L.M. Tobé

Voetnoten

1.Algemene ouderdomswet.
2.Algemene wet bestuursrecht.