Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/1632 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenveroordeling

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake een WIA-zaak. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. Hierdoor heeft appellante het hoger beroep ingetrokken.

De Centrale Raad van Beroep heeft vervolgens beoordeeld welke proceskosten in hoger beroep nog voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van bezwaar waren reeds door het UWV vergoed en de rechtbank had al een beslissing genomen over de proceskosten in eerste aanleg. De Raad heeft de proceskosten in hoger beroep begroot op € 2.335,-, waarbij ook gedeeltelijke vergoeding van deskundigenkosten en reiskosten is toegekend.

Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van in totaal € 3.756,57 aan proceskosten en het betaalde griffierecht van € 138,-. De uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in aanwezigheid van griffier M.D.F. de Moor, op 13 mei 2026.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1632 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 mei 2024, 23/941 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. van de Griek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft het verzoek behandeld op een zitting van 28 mei 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Oosterhuis-Putter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
De Raad heeft het onderzoek op de zitting geschorst en M. Roos-Vervoort, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 5 december 2025 gerapporteerd.
Het Uwv heeft op 19 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig acht en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna meegedeeld geen zitting te wensen.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit.
De kosten van bezwaar zijn reeds door het Uwv bij besluit van 19 januari 2026 vergoed en de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak beslist ten aanzien van de proceskosten in verband met de procedure in beroep. Daarom staat nog slechts ter beoordeling de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten in hoger beroep worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een reactie op de rapportage van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-). De kosten van de door appellante ingeschakelde medisch deskundige van € 517,28 komen slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De Raad berekent de vergoeding voor de werkzaamheden van de partijdeskundige op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskostenvergoeding en het Besluit tarieven in strafzaken (tarief 2025) op € 295,18, zijnde 1,5 keer € 162,63 per uur vermeerderd met 21% omzetbelasting. Hetzelfde geldt voor de door appellante geclaimde vergoeding van deskundigenkosten van € 2.171,95. Het Uwv kan worden gevolgd in wat het daarover in de reactie van 24 februari 2026 heeft opgemerkt. Op grond van voormelde regelgeving (tarief 2023) komt daarvan een bedrag van € 1.088,19 voor vergoeding in aanmerking, zijnde 6,3 keer € 142,75 per uur vermeerderd met omzetbelasting. Ook de door appellante gevraagde reiskosten voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep van € 38,20 zullen door het Uwv moeten worden vergoed. Ten slotte dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.756,57;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.D.F. de Moor