Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:583

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/953 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks motiveringsgebrek

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het Uwv heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De medische beoordeling door verzekeringsartsen en de arbeidskundige selectie van functies leidden tot het oordeel dat appellante in staat is om passende functies te vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat de beperkingen voldoende waren gemotiveerd en dat appellante geen overtuigend medisch bewijs had geleverd dat meer beperkingen noodzakelijk waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de motivering onvoldoende was, met name ten aanzien van psychische klachten, hoog handelingstempo, migraine en fibromyalgie.

De Raad heeft het Uwv verzocht om nadere toelichting, waarna een aanvullend rapport werd ingediend waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen nader toelichtte en onderbouwde waarom de FML niet hoefde te worden aangepast. De Raad oordeelde dat deze toelichting afdoende was en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de ernst van haar klachten was onderschat.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Hoewel het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, wordt dit gebrek gepasseerd omdat appellante niet is benadeeld en het besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/953 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 april 2025, 24/3073 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak:13 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 7 juni 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Op verzoek van de Raad heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend, waarin is gereageerd op de gronden van hoger beroep.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als pizzabakker voor gemiddeld 37,93 uur per week. Op 9 juni 2020 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziekgemeld met lichamelijke klachten. Later zijn ook psychische klachten ontstaan. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 16 augustus 2023 geweigerd appellante met ingang van 7 juni 2022 (datum in geding) een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 6 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 mei 2024, een gewijzigde FML van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding op navolgbaar gemotiveerde wijze is weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Appellante heeft geen medische informatie in het geding gebracht waaruit moet worden geconcludeerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Dat in het Verzekeringsgeneeskundig protocol depressieve stoornis (protocol) wordt vermeld dat bepaalde beperkingen zich kunnen voordoen bij een depressieve stoornis, betekent niet dat deze beperkingen in alle gevallen moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft in dit verband van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder meer de beschikking heeft gehad over een brief van Mindfit van 24 februari 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in verband met de depressieve klachten beperkingen aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het in beroep ingediende rapport van 8 oktober 2024 voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom de hooikoorts en migraine niet leiden tot meer beperkingen dan aangenomen in de FML van 14 mei 2024. Uitgaande van de juistheid van de FML van 14 mei 2024 is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen verdergaande beperkingen zijn aangenomen vanwege de psychische klachten. Appellante heeft in beroep, onder verwijzing naar het protocol en Basisinformatie Claim Beoordelings-en Borgingssysteem, aangevoerd dat een beperking had moeten worden aangenomen voor hoog handelingstempo. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat zij op de datum in geding werd behandeld voor een depressieve stoornis en dat bij een eerdere beoordeling in het kader van de Ziektewet in februari 2021 door een verzekeringsarts van het Uwv is vastgesteld dat zij geen werk kan doen waarin sprake is van hoge werkdruk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is hier niet op ingegaan en heeft niet toegelicht waarom geen beperking is aangenomen voor hoog handelingstempo. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de in de brief van Mindfit omschreven prikkelgevoeligheid. Wat betreft de migraineklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de klachten zich aanvalsgewijs voordoen. Dit neemt volgens appellante niet weg dat een aanval zich elk moment voor kan doen. Daarbij treedt duizeligheid op en daarom acht appellante zich niet in staat om werk te doen waarin sprake is van een verhoogd persoonlijk risico. Verder blijft appellante van mening dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de handklachten die zij heeft als gevolg van fibromyalgie en dat de motivering door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook op dit punt tekortschiet. Omdat appellante van mening is dat de FML niet juist is, acht zij zich niet in staat om de functies die op basis daarvan zijn geselecteerd te vervullen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Met appellante is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet was voorzien van een deugdelijke motivering. Appellante heeft tijdens de bezwaarprocedure gemotiveerd uiteengezet op welke punten zij zich, zowel vanwege de psychische klachten als de lichamelijke klachten, verdergaand beperkt acht. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 mei 2024 blijkt dat hij, anders dan de primaire verzekeringsarts, van mening is dat op de datum in geding beperkingen moeten worden aangenomen vanwege de psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft in dit rapport dat hij beperkingen zal toevoegen ten aanzien van een voorspelbare werksituatie, geen hectiek en het omgaan met emoties en conflicten. Op basis waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot deze specifieke beperkingen is gekomen, is niet toegelicht. Wat betreft de lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volstaan met de conclusie dat deze voldoende tot uiting komen in de FML die was opgesteld door de primaire verzekeringsarts. Ook in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 oktober 2024, dat is ingediend tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank, is een groot deel van de gronden van appellante onbesproken gebleven en is niet voldoende gemotiveerd waarom ‑ afgezien van de beperkingen die zijn genoemd in het rapport van 14 mei 2024 ‑ geen verdergaande beperkingen zijn aangenomen vanwege de psychische en lichamelijke klachten.
5.3.
De Raad heeft het Uwv gevraagd om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in te laten gaan op de gronden van appellante. Het Uwv heeft in reactie hierop een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 februari 2026 ingediend. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat zij uit de brief van Mindfit begrijpt dat met prikkelgevoeligheid wordt bedoeld dat appellante snel uit balans raakt bij bepaalde gebeurtenissen. Van gevoeligheid voor bijvoorbeeld licht of geluid heeft appellante bij eerdere beoordelingen nooit melding gemaakt en dit is ook geen klacht die past bij een depressieve stoornis. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat, gelet op de in het dossier aanwezige medische informatie en de bevindingen bij de verschillende onderzoeken door verzekeringsartsen van het Uwv, op de datum in geding hooguit sprake was van een matig ernstige depressie. De behandeling was niet erg intensief en appellante gebruikte geen antidepressiva. Bovendien is met de beperkingen ten aanzien van veelvuldige deadlines en productiepieken en doordat in de FML is opgenomen dat appellante is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, de werkdruk al beperkt. Wat betreft de migraineklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat een aanval niet zodanig acuut optreedt dat dit tot een beperking moet leiden ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico. Ook het medicatiegebruik op de datum in geding leidt niet tot een beperking voor verhoogd persoonlijk risico. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat bij fibromyalgie wordt geadviseerd om normaal te bewegen en alleen overbelasting te voorkomen. Hieraan is tegemoetgekomen door een beperking aan te nemen ten aanzien van de knijp-/grijpkracht. Bij eerdere onderzoeken door een neuroloog, reumatoloog en een verzekeringsarts van het Uwv werden geen afwijkingen aan de handen gevonden. Er zijn daarom geen medisch objectiveerbare gronden om ook repetitieve hand/vingerbewegingen en werken met toetsenbord en muis te beperken. Bij dit soort bewegingen is immers weinig kracht nodig. De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee afdoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om de FML van 14 mei 2024 te wijzigen. In wat appellante ter zitting naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ernst van haar medische situatie op de datum in geding heeft onderschat.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
5.6.
Uit 5.2 volgt dat het bestreden besluit niet was voorzien van een deugdelijke motivering zoals artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist. De schending van artikel 7:12 van Pro de Awb wordt met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
6.1.
De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden, in gevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 3.736,- voor verleende rechtsbijstand.
6.2.
Daarnaast dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) H. de Brabander