ECLI:NL:CRVB:2026:584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
22/3934 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een WIA-zaak. Het UWV nam op 16 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Raad stelde vast dat het UWV reeds kosten in de bezwaarfase had vergoed, zodat alleen de proceskosten in beroep en hoger beroep nog beoordeeld moesten worden. De proceskosten werden begroot op €3.269,-, bestaande uit punten voor het indienen van beroeps- en hoger beroepschriften en het bijwonen van de zitting, plus vergoeding van het griffierecht van €186,-.

De Raad oordeelde dat het UWV de proceskosten en griffierechten aan appellante moet vergoeden. De zaak werd niet op zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek op 13 mei 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
22/3934 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 november 2022, 22/1925 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, antwoord gegeven op vragen van de Raad en op 16 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 24 december 2025 heeft mr. Lipman namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft op 6 februari 2026 meegedeeld zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 september 2025 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Omdat het Uwv bij het besluit van 16 september 2025 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.401,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een reactie met een waarde per punt van € 934,-). Totaal € 3.269,-
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.269,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
De griffier is verhinderd te ondertekenen.