ECLI:NL:CRVB:2026:584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een WIA-zaak. Het UWV nam op 16 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De Raad stelde vast dat het UWV reeds kosten in de bezwaarfase had vergoed, zodat alleen de proceskosten in beroep en hoger beroep nog beoordeeld moesten worden. De proceskosten werden begroot op €3.269,-, bestaande uit punten voor het indienen van beroeps- en hoger beroepschriften en het bijwonen van de zitting, plus vergoeding van het griffierecht van €186,-.
De Raad oordeelde dat het UWV de proceskosten en griffierechten aan appellante moet vergoeden. De zaak werd niet op zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek op 13 mei 2026.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten na intrekking van het hoger beroep.