Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:591

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/2628 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvragen wegens te hoog vermogen en geen nieuwe omstandigheden

Appellant heeft twee aanvragen om bijstand ingediend die beide zijn afgewezen door het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling samenwerking de Bevelanden. De eerste aanvraag werd afgewezen omdat appellant beschikte over vermogen boven de vrij te laten grens, waaronder een onroerende zaak in Armenië en banktegoeden. De tweede aanvraag werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die recht op bijstand zouden geven.

Appellant voerde aan dat hij geen vermogen meer had sinds hij zijn deel van het onroerend goed had geschonken en dat hij een lening van zijn broer had ontvangen voor levensonderhoud. De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht had geoordeeld dat appellant over voldoende vermogen beschikte en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat zijn omstandigheden waren gewijzigd.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere standpunten, maar gaf geen nieuwe argumenten ondanks een regiebrief van de Raad. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens te hoog vermogen en het ontbreken van nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

24/2628 PW, 24/2629 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 oktober 2024, 23/10507 en 23/10508 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling samenwerking de Bevelanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 28 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken om de afwijzing van twee aanvragen om bijstand. Het dagelijks bestuur heeft de eerste aanvraag afgewezen omdat appellant kan beschikken over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen en de tweede aanvraag omdat zich sinds de afwijzing van de eerste aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat appellant nu wel recht heeft op bijstand. Ook kon appellant ten tijde van de tweede aanvraag volgens het dagelijks bestuur nog steeds beschikken over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen. Appellant heeft net als in beroep betwist dat hij kan beschikken over vermogen en aangevoerd dat zijn situatie kort voor de afwijzing van de eerste aanvraag al was gewijzigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur de eerste aanvraag terecht heeft afgewezen omdat appellant over teveel vermogen kon beschikken. Over de tweede aanvraag heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging in zijn omstandigheden op grond waarvan hij nu wel voor bijstand in aanmerking komt. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en bevestigt de aangevallen uitspraak.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft appellant met een brief van 16 juli 2026 (regiebrief) laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet, appellant vragen gesteld en hem in de gelegenheid gesteld zijn gronden (nader) te onderbouwen. De Raad heeft in de regiebrief ook opgenomen dat als appellant niet reageert, de Raad geen vragen heeft en de zaak zonder zitting afgedaan kan worden. De Raad heeft daarbij gewezen op het recht om ter zitting te worden gehoord. Appellant heeft op de regiebrief niet gereageerd.
De Raad heeft daarna het dagelijks bestuur toestemming gevraagd zonder zitting uitspraak te kunnen doen en daarbij gewezen op het recht om ter zitting te worden gehoord. Het dagelijks bestuur heeft die toestemming verleend. Daarom heeft de Raad deze zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur heeft zijn bijstand met ingang van 6 januari 2022 ingetrokken. Op 5 april 2023 heeft appellant een aanvraag om bijstand gedaan (aanvraag 1). In het kader van die aanvraag heeft appellant verschillende stukken overgelegd, waaronder afschriften van Armeense bankrekeningen. Tijdens een gesprek over deze aanvraag heeft appellant ook verklaard dat hij een derde deel van een onroerende zaak in [plaats] , Armenië, bezat en hij dat deel op 30 mei 2023 aan zijn broer heeft geschonken. Met een besluit van 15 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur aanvraag 1 afgewezen op de grond dat appellant beschikt over vermogen in de vorm van een onroerende zaak en in de vorm van bank- en spaartegoeden, samen tot een bedrag van € 72.090,75. Dit vermogen is meer dan het voor appellant geldende vrij te laten vermogen, zodat hij geen recht heeft op bijstand. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en in dat kader verschillende stukken overgelegd.
1.2.
Op 21 juni 2023 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand gedaan (aanvraag 2). Hij heeft daarbij de stukken ingediend die hij ook in bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2023 heeft ingediend. Met een besluit van 24 juli 2023 heeft het dagelijks bestuur ook deze aanvraag afgewezen, nu op de grond dat zich sinds de afwijzing van de aanvraag van 5 juni 2023 geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben voorgedaan die maken dat appellant wel recht zou hebben op bijstand. Ook kon appellant volgens het dagelijks bestuur nog steeds beschikken over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.
1.3.
Met twee afzonderlijke besluiten besluit van 11 oktober 2023 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 15 juni 2023 en 24 juli 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten. Over aanvraag 1 heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur op basis van de door appellant overgelegde stukken terecht heeft geconcludeerd dat hij beschikt over vermogen boven de grens van het voor hem geldende vrij te laten vermogen en hij dus voldoende vermogen heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat appellant heeft verklaard dat hij op 30 november 2021 van zijn broer een bedrag van $ 55.200,- heeft geleend. Dit bedrag staat op een op naam van appellant staande Armeense bankrekening. De stelling van appellant dat dit bedrag niet tot zijn vermogen mag worden gerekend omdat het gaat om een lening en hij dus een schuld heeft bij zijn broer, vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat is onder meer het geval omdat uit de door appellant overgelegde overeenkomsten van geldlening met zijn broer niet blijkt dat er een concrete aflossingsverplichting is. Over aanvraag 2 heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur aan de afwijzing wel ten grondslag heeft gelegd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, maar dat de beoordeling daartoe niet beperkt is gebleven. Het dagelijks bestuur heeft namelijk ook beoordeeld of appellant heeft aangetoond dat hij ten tijde van aanvraag 2 wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aangetoond dat sprake is van een wijziging in zijn omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen. De stelling van appellant dat hij geen onroerend goed in Armenië meer bezit, maakt niet dat hij wel recht heeft op bijstand, omdat hij niet duidelijk heeft gemaakt of, en in hoeverre, hij nog kon beschikken over de tegoeden op zijn bankrekeningen. Ook aanvraag 2 is naar oordeel van de rechtbank dus terecht afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft net als in beroep aangevoerd dat hij vanaf 30 mei 2023 geen vermogen meer heeft en dat hij in november 2021 bij zijn broer geld heeft geleend voor zijn levensonderhoud voor een periode van tien jaar. Appellant wenst met ingang van 21 juni 2023 bijstand te ontvangen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft, ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe in de regiebrief, geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze gronden en in de overwegingen zoals onder 2 weergegeven waarop dat oordeel berust.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van beide aanvragen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls