Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:61

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/783 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering na aanvullend medisch onderzoek en herstel van besluit

In deze zaak staat de beëindiging van de Ziektewet-uitkering van appellante per 16 augustus 2022 centraal. De Centrale Raad van Beroep heeft in een eerdere tussenuitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek door het UWV onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was, omdat relevante informatie van de huisarts en psycholoog ontbrak. Het UWV kreeg de opdracht deze informatie alsnog in te winnen.

Ter uitvoering hiervan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de huisarts en psycholoog van appellante. De ontvangen gegevens bevestigden matig ernstige psychische problematiek, maar gaven geen aanleiding om de belastbaarheid op de datum in geding te wijzigen. Appellante betwistte dat de informatie volledig was en verzocht om een deskundige, maar leverde zelf geen aanvullende stukken aan.

De Raad oordeelt dat het UWV het gebrek in het besluit heeft hersteld door de gevraagde informatie in te winnen en deze te laten beoordelen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) is adequaat en sluit aan bij de beperkingen van appellante. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.

Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op €4.203,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €188,-. Het verzoek om een deskundige wordt afgewezen wegens gebrek aan nieuwe aanwijzingen. De uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin op 14 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2024, 23/5917 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 26 september 2024 een tussenuitspraak [1] gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd. Vervolgens zijn nadere stukken ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Daaraan wordt het volgende aan toegevoegd.
1.2.
In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, omdat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en onvoldoende is gemotiveerd. De verzekeringsarts of de verzekeringsarts bezwaar en beroep hadden in het kader van een volledige en zorgvuldige voorbereiding dan wel in het kader van de heroverweging informatie moeten opvragen bij de huisarts dan wel de psycholoog van appellante. Deze informatie kan immers van belang zijn voor het bepalen van de aard, omvang en ernst van de beperkingen van appellante op de datum in geding, te weten 16 augustus 2022. Het Uwv is opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen door alsnog nadere informatie bij de huisarts en de psycholoog in te winnen over de psychische klachten van appellante op de datum in geding en te bezien wat deze informatie betekent voor de beperkingen van appellante op de datum in geding en de medische grondslag van het bestreden besluit.
1.3.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep – nadat appellante het Uwv daartoe had gemachtigd – informatie opgevraagd bij zowel de huisarts van appellante als bij Mentaal Beter. Het Uwv heeft van de huisarts informatie ontvangen, te weten een brief van de huisarts van 21 maart 2025, met daarin de relevante journaalregels tussen maart 2022 en april 2024 en een brief van een GZ-psycholoog van Mentaal Beter van 11 maart 2024 aan de huisarts. In een rapport van 31 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze informatie beoordeeld en geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft om de belastbaarheid van appellante per 16 augustus 2022 te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daartoe als volgt overwogen. In de ontvangen informatie wordt de aanwezigheid van stemmingsklachten bevestigd, maar blijkbaar was geen sprake van een concrete stemmingsstoornis in engere zin. Er waren wel nog bekende PTSS-klachten, maar deze waren in januari 2022 al deels in remissie. Aanvullend op wat bekend was, blijken er trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis te bestaan, maar wordt niet voldaan aan alle criteria daarvoor. Op basis van deze overwegingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de medische informatie het bestaan van matig ernstige psychische problematiek bevestigt, waarbij appellante is aangewezen op mentaal minder belastende werkzaamheden op het gebied van veelvuldige deadlines en productiepieken, conflicthantering en leidinggevende taken. Daarmee is reeds rekening gehouden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 juli 2023.
1.4.
Appellante heeft in reactie aangevoerd dat de informatie die het Uwv heeft ontvangen een te beperkt beeld geeft van haar klachten ten tijde van de datum in geding. Bovendien heeft het Uwv de informatie over de psychische gesteldheid niet rechtstreeks bij de behandelaar opgevraagd, maar via de huisarts ontvangen, waardoor mogelijk informatie is achtergebleven die voor de beoordeling van belang is. Dit is vooral van belang nu in de afsluitbrief van de psycholoog van 11 maart 2024 een breder spectrum aan klachten wordt genoemd dan ten tijde van de primaire beslissing en de bezwaarfase bekend was. Daarom is volgens appellante het medisch onderzoek nog altijd niet zorgvuldig en heeft het Uwv het gebrek in de tussenuitspraak niet hersteld. Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige.
1.5.
Het Uwv heeft opgemerkt dat ook bij Mentaal Beter informatie is opgevraagd, maar dat van hen geen informatie is ontvangen. Dit hoeft volgens het Uwv niet onoverkomelijk te zijn, omdat appellante ter zitting heeft verteld dat zij zelf over de verslagen van de psycholoog beschikt. Het Uwv heeft appellante daarom verzocht om deze verslagen te overleggen, zodat deze aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen worden voorgelegd. Bij brief van 11 juni 2025 heeft de Raad appellante in de gelegenheid gesteld deze verslagen te overleggen. Maar ook na rappels van de Raad van 7 juli 2025 en 1 oktober 2025 heeft appellante geen nadere informatie of nadere reactie ingebracht.

Het oordeel van de Raad

2.1.
Door zowel bij de huisarts als de psycholoog van appellante nadere informatie in te winnen en de verkregen informatie voor te leggen aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv op juiste wijze uitvoering gegeven aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Het feit dat – ondanks het verzoek van het Uwv – geen informatie is ontvangen leidt niet tot het oordeel dat het Uwv het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Daarbij is nog van belang dat het Uwv via de huisarts informatie van de psycholoog over de behandeling van appellante ten tijde van de datum in geding heeft ontvangen en appellante zelf – ook niet nadat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld – geen informatie van haar behandeling bij Mentaal Beter heeft overgelegd.
2.2.
In het rapport van 11 juli 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de diagnostische overwegingen en conclusies van de primaire verzekeringsarts over de belastbaarheid logisch voortkomen uit de verkregen onderzoeksresultaten. Bij appellante is sprake van stemmingsklachten, ontstaan na de bevalling zonder aanwijzingen voor ernstige onderliggende psychopathologie. Daarnaast zijn er klachten aan het bewegingsapparaat van vooral rug en bekken, zonder aanwijzingen voor specifieke neurologische of orthopedische afwijkingen. Appellante is terecht aangewezen op fysiek en mentaal relatief licht belastende werkzaamheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om aanvullende beperkingen aan te nemen in de statische belastbaarheid, omdat de fysiotherapeut de aard van de rug- en bekkenproblematiek bevestigt en plausibele beperkingen beschrijft in statische belastbaarheid tot 60 minuten. Op het gebied van lopen en staan is de FML aangepast.
2.3.
Ten aanzien van de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat niet gebleken is dat de primaire verzekeringsarts de ernst van de problematiek op de datum in geding heeft onderschat en er bestaat geen aanleiding tot het aannemen van meer beperkingen. In het aanvullend rapport van 31 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in hoger beroep verkregen informatie van de huisarts en de informatie van Mentaal Beter kenbaar beoordeeld en gemotiveerd uiteengezet waarom deze informatie geen aanleiding geeft om de belastbaarheid op de datum in geding 16 augustus 2022 te wijzigen. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van dit medisch oordeel. Gelet hierop bestaat geen aanleiding een deskundige in te schakelen. Het verzoek van appellante wordt daarom afgewezen.
2.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat appellante in staat kan worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in geselecteerde functies geen sprake is van een overschrijding van de beperkingen, ook niet op de aanvullend vastgestelde beperkingen.
2.5.
Geconcludeerd wordt dat het Uwv het gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld en dat het Uwv terecht de uitkering op grond van de Ziektewet van appellante heeft beëindigd per 16 augustus 2022.

Conclusies en gevolgen

3. Omdat pas na de tussenuitspraak in hoger beroep sprake is van een afdoende motivering van het bestreden besluit, bestaat aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren, dit besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
4. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de zienswijze op de reactie van het Uwv na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 934,-), dus in totaal € 4.203,-.
5. Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 juli 2022;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- aan appellante vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 26 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1848.