ECLI:NL:CRVB:2026:628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen bevestigd in hoger beroep
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van haar medische situatie en vermeend gebrek aan arbeidsvermogen vanaf haar achttiende verjaardag. Het UWV weigerde de uitkering na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarop appellante bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellante wel over arbeidsvermogen beschikte.
In hoger beroep betwistte appellante vooral de arbeidskundige beoordeling, stellende dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikte. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het UWV terecht concludeerde dat appellante in staat is om gestructureerd werk te verrichten, mede gelet op haar opleiding, werkervaring en zelfstandigheid in het dagelijks leven.
Ook de beoordeling van de medische situatie in de vijf jaar na haar achttiende verjaardag leverde geen aanwijzingen op voor verslechtering die tot een Wajong-uitkering zou leiden. Het hoger beroep werd verworpen, het bestreden besluit bleef in stand en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellante over arbeidsvermogen beschikt.