1.2.Bij besluit van 2 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juli 2024 ten grondslag. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is tot aanpassing van het door de primaire verzekeringsarts ingenomen standpunt. Appellante wordt geschikt geacht voor haar eigen werk omdat de belasting in het eigen werk de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat appellante beperkingen heeft ten aanzien van lopen, maar geschikt is voor haar eigen werk, dat voornamelijk zittend wordt uitgevoerd, waarbij vertreden mogelijk is. Ook is inzichtelijk toegelicht waarom appellante niet beperkt is voor beeldschermwerk en dat er geen aanwijzingen zijn om appellante te volgen in haar standpunt dat bij haar sprake is van psychische beperkingen op grond van een depressie. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de vervoersproblemen naar en van de werkplek terecht overwogen dat daarvoor een vervoersvoorziening kan worden ingezet. De rechtbank heeft overigens geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank is voorbijgegaan aan het feit dat zij lijdt aan polyneuropathie. Volgens appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het onderzoek onvoldoende rekening gehouden met de gezondheidscomplicaties die optreden bij dit genetisch defect en de impact daarvan op appellante. De klachten bestaan uit bewegingsklachten, evenwichtsproblemen, pijn, doof gevoel, prikkelingen, tintelingen, veranderd gevoel, kramp, dunner worden van spieren en zwakte. Als gevolg hiervan heeft appellante diverse beperkingen en kan zij nauwelijks functioneren. Zij heeft meerdere keren haar voeten en enkel gebroken en na de laatste val zijn de pijnklachten toegenomen. Appellante is geenszins in staat de maatgevende arbeid te verrichten. Ten onrechte wordt ervan uitgegaan dat sprake was van voornamelijk zittend werk. Zij moest regelmatig lopen, knielen, hurken, reiken, tillen en dragen. Bij appellante is ook sprake van concentratieproblemen en depressie. Volgens appellante is sprake van een onredelijke bewijspositie. Zij verzoekt een onafhankelijke arts die de medische beperkingen op objectieve wijze kan vaststellen. Tot slot heeft appellante gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Bovendien is haar vervoersprobleem niet beperkt tot woon-werkverkeer; zij heeft ook op het werk ondersteuning nodig om bij haar werkplek te komen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 februari 2026 toegelicht, dat het strikt genomen gaat om een hersteldverklaring per 12 november 2023 in verband met geschiktheid voor het eigen werk. Van 9 november 2023 tot laatstgenoemde datum heeft het Uwv wel aangenomen dat appellante haar werk niet kon verrichten in verband met een voetblessure. In verband met de wachtdagen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder d, van de ZW bestond echter desondanks op 9 november 2023 geen recht op uitkering.