Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:651

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/2162 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht en ontbreken beroepsgronden

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het griffierecht van €143,- niet is betaald, ondanks een aangetekende aanmaning en een tweede toezending per gewone post. Daarnaast bevat het ingediende beroepschrift geen gronden, terwijl appellant hiervoor ook meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om dit te herstellen.

De Raad heeft de termijnen voor betaling en het indienen van beroepsgronden verstreken geacht zonder dat appellant hieraan heeft voldaan. Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het griffierecht verplicht, en volgens artikel 6:5 Awb Pro moet het beroepschrift gronden bevatten. Omdat appellant niet in verzuimvrijheid kon worden gesteld, is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat in aanwezigheid van griffier A. Giesen en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2162 PW, 25/2208 PW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
22 september 2025, 25/3803, 25/3814, 25/3815 en 25/4074
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 19 mei 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij aangetekende brief van 19 maart 2026 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven, dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De brief van 19 maart 2026 is op 26 maart 2026 bij de Raad retour binnengekomen. De Raad heeft deze brief op 1 april 2026 nogmaals per niet-aangetekende post aan appellant toegezonden, met de mededeling dat met deze nieuwe toezending niet opnieuw een termijn is gaan lopen.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Voorts is in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 22 januari 2026 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 17 maart 2026 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De brief van 17 maart 2026 is op 8 april 2026 bij de Raad retour binnengekomen. De Raad heeft deze brief op 10 april 2026 nogmaals per niet-aangetekende post aan appellant toegezonden, met de mededeling dat met deze nieuwe toezending niet opnieuw een termijn is gaan lopen.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Ten aanzien van beide hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.