ECLI:NL:CRVB:2026:672

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/586 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17a AOWBeleidsregel SB1407Algemene OuderdomswetKamerstukken II, 1994/95, 23 909, nr. 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-pensioen wegens niet-toegepaste korting voor buitenlandse verzekeringsperiode

Betrokkene ontving sinds 2004 een AOW-pensioen zonder toepassing van een verplichte korting van 4% voor de periode waarin hij in het buitenland woonde en werkte en daardoor niet verzekerd was voor de AOW. In 2023 ontdekte de Sociale verzekeringsbank (Svb) deze fout en herzag zij het pensioen met ingang van 1 juni 2023, waarbij het pensioen met ongeveer €30 per maand werd verlaagd.

De rechtbank had het bezwaar van betrokkene tegen deze herziening gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat de Svb volledig van herziening had moeten afzien vanwege de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het feit dat betrokkene de fout niet redelijkerwijs kon begrijpen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat de Svb verplicht was tot herziening van het pensioen naar de toekomst toe. De Raad benadrukt dat hoewel de fout in het verleden niet door betrokkene kon worden onderkend, dit niet betekent dat de herziening voor de toekomst moet worden uitgesloten. De Svb heeft volgens de Raad het beleid en de beginselen van behoorlijk bestuur juist toegepast door geen terugwerkende kracht toe te passen en een afbouwregeling te hanteren.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor de herziening van het AOW-pensioen per 1 juni 2023 in stand blijft.

Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen met ingang van 1 juni 2023 blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/586 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025, 23/4206 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[betrokkene] (betrokkene)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

In tegenstelling tot de rechtbank oordeelt de Raad dat de Svb het AOW-pensioen van betrokkene heeft mogen herzien naar de toekomst toe. Door een fout van de Svb is bijna 20 jaar lang een AOW-pensioen betaald zonder dat een korting van 4% is toegepast vanwege niet-verzekerde jaren, welke fout betrokkene volgens de Svb niet heeft kunnen begrijpen. Door de herziening van het ouderdomspensioen in te laten gaan per 1 juni 2023, heeft de Svb op juiste wijze toepassing gegeven aan zijn beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voldoende in acht genomen. Niet is gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden dat de Svb van herziening naar de toekomst toe had moeten afzien of een verdergaande afbouwregeling had moeten toepassen. Van een voor betrokkene onredelijk bezwarend besluit is ook niet gebleken.

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. Betrokkene is – met bericht van verhindering – niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 22 december 2003 heeft betrokkene een AOW [1] -pensioen aangevraagd. Op het aanvraagformulier stond al voorgedrukt dat betrokkene van 16 december 1969 tot en met 31 mei 1972 in Qatar heeft gewoond. Op de vraag of betrokkene in het buitenland heeft gewerkt, heeft betrokkene “ja” geantwoord. Betrokkene heeft het aanvraagformulier ondertekend. Met een besluit van 16 januari 2004 heeft de Svb aan betrokkene met ingang van juni 2004 het maximale AOW-pensioen toegekend.
1.2.
In februari 2023 is de Svb erachter gekomen dat er een fout is gemaakt in het toekenningsbesluit van 16 januari 2004. Ten onrechte is geen korting toegepast van 4% voor de periode waarin betrokkene heeft gewoond en gewerkt in Qatar en waarin hij dus niet verzekerd was voor de AOW. Met een besluit van 9 maart 2023 heeft de Svb het besluit van 16 januari 2004 herzien vanaf 1 juni 2023. Het AOW-pensioen wordt vanaf die datum verlaagd met 4%. Dit betekent dat betrokkene vanaf dat moment € 29,16 per maand minder aan AOW-pensioen ontvangt. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Met een besluit van 25 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. De Svb legt daaraan ten grondslag dat hij verplicht is tot herziening van het AOW-pensioen van betrokkene. De Svb heeft met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel voldoende rekening gehouden door af te zien van herziening over het verleden, en door het teveel betaalde AOW-pensioen in de periode van juni 2004 tot 9 maart 2023 niet van betrokkene terug te vorderen. De Svb is er hierbij van uit gegaan dat betrokkene de door de Svb gemaakte fout niet heeft kunnen onderkennen, omdat het verschil tussen het pensioen dat hij ontving en het bedrag dat hij had moeten krijgen als de korting van 4% wel was toegepast, zo gering was. De Svb is betrokkene verder tegemoetgekomen door het verlaagde AOW-pensioen niet per maart 2023 maar pas per juni 2023 in te laten gaan. Een verdere afbouwregeling is volgens de Svb niet nodig.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 9 maart 2023 herroepen. De Svb is veroordeeld om de proceskosten van betrokkene te vergoeden en moet ook het betaalde griffierecht betalen.
2.1.
Volgens de rechtbank had de Svb in het geval van betrokkene volledig van herziening van het AOW-pensioen moeten afzien. Volgens de rechtbank voorziet de Svb in zijn beleidsregel SB1407 ten onrechte niet in de mogelijkheid tot het geheel achterwege blijven van herziening als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daartoe aanleiding geven. De beleidsregels zien alleen op het al dan niet met “terugwerkende kracht” herzien, met als gevolg dat er altijd een mate van herziening plaatsvindt.
2.2.
Herziening is volgens de AOW en de memorie van toelichting [2] wel het uitgangspunt, maar daar moet volgens de rechtbank ook volledig van kunnen worden afgezien als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daar aanleiding toe geven. De rechtbank leidt uit de memorie van toelichting bij artikel 17a, eerste lid en onder b, van de AOW af dat het toekenningsbesluit op basis van dit artikel alleen kan worden herzien als de betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel of ten onrechte ouderdomspensioen ontving. Dit was eerst uitdrukkelijk opgenomen in de wet, maar is er met de wetswijziging uitgehaald en is, volgens de memorie van toelichting, nog steeds van toepassing als onderdeel van de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Op basis hiervan constateert de rechtbank dat als de betrokkene niet redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte of teveel ouderdomspensioen ontving, de Svb op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het geheel niet kan overgaan tot herziening. Naar het oordeel van de rechtbank had de Svb op basis van de AOW, de memorie van toelichting en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in samenhang met de concrete omstandigheden in dit geval, waarin de fout geheel aan de zijde van de Svb ligt, de Svb ook toegeeft dat betrokkene deze fout redelijkerwijs niet kon begrijpen en dat die fout al bijna 20 jaar geleden was gemaakt, geheel van herziening behoren af te zien.
De standpunten van partijen
3. De Svb is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
3.1.
Volgens de Svb heeft de rechtbank het toepasselijke wettelijke kader en de beleidsregel SB1407 onjuist uitgelegd. Gelet op het dwingende karakter van artikel 17a van de AOW is de Svb gehouden het AOW-pensioen naar het verleden en de toekomst te herzien indien dit onjuist is vastgesteld, tenzij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich hiertegen verzetten. Beleidsregel SB1407 heeft betrekking op de herziening met terugwerkende kracht. Die is hier niet aan de orde. De Svb heeft het AOW-pensioen op juiste gronden naar de toekomst herzien. Niet gebleken is dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend is voor betrokkene. Ook is geen sprake van een bijzondere situatie waarin de Svb gehouden is een afbouwregeling van een langere duur toe te passen of de verlaging van het ouderdomspensioen verder uit te stellen.
3.2.
Betrokkene heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht. Volgens betrokkene heeft de Svb de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet toegepast en heeft de Svb geen belangenafweging gemaakt. Bij toepassing van het evenredigheidsbeginsel had de Svb rekening moeten houden met zijn hoge leeftijd, gezondheid, verminderde zelfredzaamheid en financiële kwetsbaarheid.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de Svb slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene niet verzekerd was voor de AOW in de periode van 16 december 1969 tot en met 31 mei 1972. Ook is niet in geschil dat dit tot een korting van 4% op het AOW-pensioen had moeten leiden. Verder staat tussen partijen vast dat de Svb in het toekenningsbesluit van 16 januari 2004 een fout heeft gemaakt door deze korting niet toe te passen en dat betrokkene deze fout niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht het recht op AOW-pensioen van betrokkene heeft herzien naar een AOW-pensioen van 96% met ingang van 1 juni 2023. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat de Svb tot herziening verplicht was en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet vereisen dat de Svb daar van afziet voor de periode vanaf 1 juni 2023.
4.3.
Volgens de wetsgeschiedenis [3] en vaste rechtspraak [4] van de Raad is het uitgangspunt van artikel 17a van de AOW dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moeten worden genomen. Deze beginselen kunnen ertoe leiden dat een herziening geheel of gedeeltelijk achterwege moet blijven.
4.4.
Beleidsregel SB1407 bevat de hoofdregel dat als door een fout van de Svb een onjuist besluit is genomen, de uitkering zonder terugwerkende kracht wordt verlaagd of ingetrokken. In zeer bijzondere situaties kan de Svb een afbouwregeling toepassen of de verlaging of intrekking van de uitkering uitstellen. De Raad heeft in eerdere rechtspraak [5] geconstateerd dat beleidsregel SB1407 erin voorziet dat tegenover het uitgangspunt dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, de relevante feiten en omstandigheden zodanig worden gewogen dat die afweging een toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het algemeen zal kunnen doorstaan. Daarnaast voorziet die beleidsregel in een structurele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
4.5.
Voor de wetsuitleg van de rechtbank biedt de wetsgeschiedenis van artikel 17a van de AOW geen aanknopingspunten. Zoals de rechtbank heeft opgemerkt, is in die wetsgeschiedenis vermeld dat het feit dat een betrokkene wel of niet redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel kreeg, in de toetsing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is begrepen. [6] Zodra echter aan de betrokkene is medegedeeld dat hij tot op dat moment teveel heeft ontvangen, is voor de toekomst geen sprake meer van een fout die hem redelijkerwijs niet duidelijk kan zijn en is dus geen sprake meer van een situatie waarop deze toelichting doelt. Uit dit deel van de wetsgeschiedenis mag dan ook niet worden afgeleid dat als een persoon in het verleden een fout niet heeft kunnen onderkennen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook voor de toekomst in de weg staan aan herziening. Dit neemt overigens niet weg dat, zoals in SB1407 ook is onderkend, het in zeer bijzondere situaties geboden kan zijn een afbouwregeling toe te passen of de verlaging of intrekking uit te stellen.
4.6.
De Svb heeft afgezien van herziening van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht ten nadele van betrokkene omdat betrokkene de door de Svb gemaakte fout niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen, en voorzien in een afbouwregeling. Dit strookt met beleidsregel SB1407. Dat betrokkene tot het besluit van 9 maart 2023 de fout niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen wil echter niet zeggen dat om die reden ook voor de toekomst een met de wet strijdige situatie moet blijven voortbestaan en de betrokkene ongerechtvaardigde voordelen moet blijven behouden.
4.7.
Door de herziening van het ouderdomspensioen in te laten gaan per 1 juni 2023, heeft de Svb op juiste wijze toepassing gegeven aan zijn beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voldoende in acht genomen. Niet is gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden dat de Svb volledig van herziening naar de toekomst toe had moeten afzien dan wel een afbouwregeling van langere duur had moeten toepassen. Het AOW-pensioen van betrokkene is verlaagd met ongeveer € 30,- per maand. Van een voor betrokkene onredelijk bezwarend besluit is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

4.8
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de herziening van het AOW-pensioen van betrokkene met ingang van 1 juni 2023 in stand blijft.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 mei 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. Hoogenboom en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

de griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wettelijke regels en beleidsregels

Algemene Ouderdomswet
Artikel 17a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Beleidsregel SB1407: Dringende reden in de AOW, de Remigratiewet, de Participatiewet, de AKW en de Anw
De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beleid
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ‘kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.
Afbouw of uitstel in zeer bijzondere situaties
De SVB kan in zeer bijzondere situaties een afbouwregeling toepassen of de verlaging of intrekking van de uitkering uitstellen. Dit speelt alleen als de uitkering zonder terugwerkende kracht wordt verlaagd of ingetrokken.
Beleid
De SVB past een afbouwregeling toe om betrokkene geleidelijk aan zijn nieuwe situatie te laten wennen. De SVB bouwt de uitkering dan stapsgewijs gedurende maximaal 3 jaar af. Daarbij houdt de SVB rekening met de hoogte van de inkomensachteruitgang en de lengte van de periode waarover te veel is ontvangen. In plaats van een afbouwregeling kan de SVB de verlaging of intrekking van de uitkering gedurende een korte periode uitstellen. Voor afbouw of uitstel gelden de volgende cumulatieve voorwaarden:
  • De SVB heeft onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt of de SVB heeft nagelaten noodzakelijke inlichtingen te verstrekken, waardoor betrokkene verlaging of intrekking van de uitkering niet hoefde te verwachten.
  • Betrokkene was niet op de hoogte van de noodzaak tot verlaging of intrekking van de uitkering, terwijl dit hem ook niet redelijkerwijs duidelijk hoefde te zijn.
  • Door verlaging of intrekking van de uitkering ontstaan financiële problemen die betrokkene niet op een andere wijze kan compenseren.
De keuze voor afbouw of uitstel hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Kamerstukken II, 1994/95, 23 909, nr. 3, blz 52 en 53.
3.Kamerstukken II, 1994/95, 23 909, nr. 3, blz 53.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140, r.o. 4.1.1.
5.Bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140 r.o. 4.4.4.
6.Kamerstukken II, 1994/95, 23 909, nr. 3, blz 52.