ECLI:NL:CRVB:2026:678

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
25/380 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens uitzicht op inkomensverbetering

Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet, waarbij appellant geen inkomen heeft en appellante parttime werkt. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat hij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, zoals vereist in artikel 36, eerste lid, PW. Appellanten stelden dat appellant door medische klachten en een verkeersongeval met handletsel geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Appellanten hadden onvoldoende bewijs geleverd van blijvende arbeidsbeperkingen en hadden geen gegevens verstrekt over inspanningen om tot inkomensverbetering te komen. Het enkele feit dat appellant langdurig werkloos is, is onvoldoende om het ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering aan te tonen.

Ook het argument dat appellant vanwege intensieve mantelzorg niet kan werken, werd niet onderbouwd met bewijs en kwam te laat in de procedure. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht in stand blijft en dat appellanten geen recht hebben op vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag om individuele inkomenstoeslag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkmaking van het ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering.

Uitspraak

25/380 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 januari 2025, 23/2554 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)
Datum uitspraak: 12 mei 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over afwijzing van de aanvraag om individuele inkomenstoeslag. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellanten hierop geen recht hebben omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellant voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet (PW) opgenomen voorwaarde dat hij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Appellanten voeren aan dat appellant wel voldoet aan deze voorwaarde voor toekenning van de individuele inkomenstoeslag. Appellanten krijgen geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben nadere stukken ingediend
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 april 2026. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Hubbers.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante werkt sinds 2002 als schoonmaakster. Appellant heeft tot 2007 gewerkt en daarna gedurende enige tijd een werkloosheidsuitkering ontvangen. Vanaf juli 2007 tot en met oktober 2012 hebben appellanten gedurende verscheidene perioden bijstand ontvangen. Appellanten zijn eigenaar van hun woning.
1.2.
Appellanten hebben op 8 augustus 2022 een individuele inkomenstoeslag aangevraagd op grond van de PW. Appellante heeft een inkomen als parttime schoonmaakster en appellant heeft geen inkomen. Het gezamenlijk inkomen ligt onder de bijstandsnorm. De consulent heeft appellanten verzocht gegevens te verstrekken waaruit naar voren komt dat appellant geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Appellant heeft hierop vermeld dat hij medische klachten heeft. Verder heeft hij een (ongedateerd) verwijzingsformulier van Handen Centrum Midden Nederland overgelegd waarin wordt gewezen op handletsel rechts en ‘pijn na val een maand geleden’.
1.3.
Met een besluit van 20 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 maart 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten langdurig een laag inkomen hebben gehad maar geen recht hebben op individuele inkomenstoeslag omdat appellant niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, van de PW opgenomen voorwaarde ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’. Appellanten hebben niet met bewijsstukken aangetoond dat hiervan sprake is. Ook de in bezwaar overgelegde brief van de radioloog van 23 september 2022 over het handletsel is hiervoor onvoldoende, nu hieruit niet blijkt van structurele beperkingen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het door appellanten gedane verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover het beroep ongegrond is verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag in stand heeft gelaten en het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In geschil is of appellant voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, van de PW opgenomen voorwaarde dat hij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag ten onrechte is afgewezen omdat zij al lang een laag inkomen hebben en dat de daarbij horende chronische stress leidt tot gezondheidsproblemen. Dit leidde in augustus 2022 tot een verkeersongeval bij appellant waarbij hij handletsel heeft opgelopen. Hun situatie is structureel en er is dus geen reëel uitzicht op inkomensverbetering.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
De aanvrager van een individuele inkomenstoeslag moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nodig zijn om tot inwilliging van die aanvraag te komen. In dit hoger beroep gaat het om de vraag of appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat appellant geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
4.2.2.
Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant niet in staat is om te werken en een inkomen te verkrijgen. Appellanten hebben, ook nadat zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, geen stukken overgelegd, waaruit volgt dat appellant blijvende beperkingen voor arbeid kent en daarom geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Het overgelegde verwijzingsformulier van Handen Centrum Midden Nederland is daartoe onvoldoende. Dat geldt ook voor het overgelegde stuk in bezwaar van de radioloog van 23 september 2022. Verder hebben appellanten geen gegevens verstrekt over de door hem verrichte inspanningen om tot inkomensverbetering te komen. Appellant heeft ter zitting vermeld dat hij gedurende de periode dat hij een werkloosheidsuitkering ontving en gedurende de periode tot 2013 dat appellanten bijstand ontvingen nog wel heeft gesolliciteerd maar dat hij daarna geen pogingen meer heeft gedaan. Onder deze omstandigheden betekent het feit dat appellant al geruime tijd werkloos is niet dat er geen uitzicht is op inkomensverbetering. Dit gebrek aan uitzicht blijkt ook niet uit eventuele (mislukte) reintegratietrajecten van het college nu appellanten sinds 2013 geen bijstand meer hebben aangevraagd.
4.2.3.
Pas kort voor de zitting heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij als gevolg van de intensieve mantelzorg die hij voor appellante moet verrichten niet in staat is te werken. Daargelaten dat deze stelling niet eerder in de procedure naar voren is gebracht hebben appellanten voor deze stelling geen begin van bewijs geleverd. De melding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning van 25 maart 2026 die appellanten hebben gedaan is hiervoor niet voldoende. Dat appellante ten tijde van de aanvraag intensieve mantelzorg behoefde is niet aannemelijk nu appellante op dat moment werkte.
4.3.
Uit 4.2 tot en met 4.2.3 volgt dat de rechtbank het verzoek tot veroordeling van het college tot vergoeding van schade terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om individuele inkomenstoeslag in stand blijft en dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.
5. Appellanten krijgen daarom geen vergoeding voor hun proceskosten. Zij zijn vrijgesteld van betaling van het griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel

Participatiewet
Artikel 36:
1. Op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
2. Tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:
a. de krachten en bekwaamheden van de persoon en;
b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
[…]