ECLI:NL:CRVB:2026:678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens uitzicht op inkomensverbetering
Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet, waarbij appellant geen inkomen heeft en appellante parttime werkt. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat hij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, zoals vereist in artikel 36, eerste lid, PW. Appellanten stelden dat appellant door medische klachten en een verkeersongeval met handletsel geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Appellanten hadden onvoldoende bewijs geleverd van blijvende arbeidsbeperkingen en hadden geen gegevens verstrekt over inspanningen om tot inkomensverbetering te komen. Het enkele feit dat appellant langdurig werkloos is, is onvoldoende om het ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering aan te tonen.
Ook het argument dat appellant vanwege intensieve mantelzorg niet kan werken, werd niet onderbouwd met bewijs en kwam te laat in de procedure. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht in stand blijft en dat appellanten geen recht hebben op vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om individuele inkomenstoeslag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkmaking van het ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering.