ECLI:NL:CRVB:2026:682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in bestuursrechtelijke zaak
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Dit is ook van toepassing op hoger beroep op grond van artikel 6:24 Awb Pro.
Het ingediende beroepschrift van 23 april 2025 bevatte echter geen gronden. Appellanten zijn bij brief van 5 juni 2025 in de gelegenheid gesteld dit binnen vier weken te herstellen, maar zij hebben deze termijn ongebruikt laten verstrijken. Vervolgens is bij aangetekende brief van 7 juli 2025 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.
Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C.F.E. van Olden-Smit en griffier A. Giesen op 26 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen binnen gestelde termijnen.