Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
25/905 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in bestuursrechtelijke zaak

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Dit is ook van toepassing op hoger beroep op grond van artikel 6:24 Awb Pro.

Het ingediende beroepschrift van 23 april 2025 bevatte echter geen gronden. Appellanten zijn bij brief van 5 juni 2025 in de gelegenheid gesteld dit binnen vier weken te herstellen, maar zij hebben deze termijn ongebruikt laten verstrijken. Vervolgens is bij aangetekende brief van 7 juli 2025 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.

Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C.F.E. van Olden-Smit en griffier A. Giesen op 26 mei 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen binnen gestelde termijnen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 maart 2025, 24/4868
Partijen:
[appellant] en de erven van [naam] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift van 23 april 2025 bevat geen gronden.
Bij brief van 5 juni 2025 zijn appellanten in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellanten hebben deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 7 juli 2025 is aan appellanten nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en zijn appellanten erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellanten hebben ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.