ECLI:NL:CRVB:2026:690

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
25/2565 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Volgens artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het betalen van griffierecht verplicht voor de ontvankelijkheid van het beroep. Appellant is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid en de betalingstermijn van het griffierecht van €143,-.

Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. De Centrale Raad van Beroep constateert op basis van de beschikbare gegevens, waaronder de ontvangstbevestiging van de aangetekende brief, dat appellant in verzuim is. Hierdoor is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.D. Streefkerk en griffier H. Alajai op 13 mei 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

25/2565 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
13 november 2025, 24/9185 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 31 december 2025 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 2 februari 2026 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Uit de beschikbare “track en trace” van PostNL blijkt dat voornoemde aangetekende brief op 4 februari 2026 op het kantoor van de gemachtigde is bezorgd, waarbij een handtekening is gezet voor ontvangst.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) H. Alajai
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.