ECLI:NL:CRVB:2026:698

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
26/637 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak compensatie ziekengeld pgb Wmo 2015

Verzoeker, houder van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, maakte bezwaar tegen besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) over de hoogte van compensatie voor ziekengeld betaald aan zijn hulp in januari en februari 2024.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om onder meer de implementatie van een nieuwe uitvoeringssystematiek in het pgb-portaal uit te stellen en de Svb te verplichten arbeidsrechtelijke verplichtingen proactief te honoreren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste omdat het betrekking heeft op toekomstige gebeurtenissen en niet op het bestreden besluit over de compensatie in 2024. Daarnaast is geen spoedeisend belang aangetoond, omdat het gaat om een relatief gering bedrag en de bodemprocedure kan worden afgewacht.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek deels niet-ontvankelijk en wees het verder af. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 20 mei 2026 door D. Hardonk-Prins.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
26/637 WMO15
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het verzoek om voorlopige voorziening is deels niet-ontvankelijk, omdat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat er geen spoedeisend belang is.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland, 24/4363. Verzoeker heeft een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoeker ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor huishoudelijke hulp. Deze ondersteuning wordt aan hem geboden door een hulp met wie verzoeker een zorgovereenkomst heeft gesloten. Verzoeker heeft bij de Svb gemeld dat zijn hulp sinds 8 januari 2024 ziek is. Met ingang van 10 januari 2024 is de hulp hersteld gemeld. Vervolgens heeft verzoeker bij de Svb gemeld dat zijn hulp sinds 29 januari 2024 ziek is. Met ingang van 9 februari 2024 is de hulp hersteld gemeld. De zorgovereenkomst is per 1 februari 2024 gewijzigd, waarbij onder meer een verhoging van het uurtarief van € 16,40 naar € 20,99 is opgenomen.
1.2.
Met een besluit van 9 februari 2024 heeft de Svb de hoogte van de compensatie van het door verzoeker betaalde ziekengeld over de maand januari 2024 vastgesteld op € 86,92. Met een besluit van 15 maart 2024 heeft de Svb de hoogte van de compensatie over de maand februari 2024 vastgesteld op € 63,14. De Svb is daarbij uitgegaan van het uurloon dat de hulp ontving op de eerste ziekendag.
1.3.
De Svb heeft met een besluit van 7 juni 2024 (bestreden besluit) de bezwaren van verzoeker tegen de besluiten van 9 februari 2024 en 15 maart 2024 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Verzoeker is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Verzoeker heeft – kort samengevat – naar voren gebracht dat het boekjaar 2024 is gesloten. Het gaat hem om de structurele, voortdurende rechtspositie die verzoeker inneemt als gevolg van het verplichte trekkingsrecht, de per 1 januari 2026 volledige toepasselijke WAB-verplichtingen, de afschaffing van de Regeling dienstverlening aan huis (RDAH) met terugwerkende kracht per 1 januari 2026, de uitrol van het pgb-portaal per 14 april 2026 en de aflopende tijdelijke oproepkrachtentoestemming.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
4.3.
Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
4.4.
Het verzoek van verzoeker strekt ertoe de Svb, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te verbieden de uitvoeringssystematiek – geleverde zorg als voorwaarde voor de honorering van arbeidsrechtelijke verplichtingen inclusief de RDAH werkgeverslasten – te implementeren in het pgb-portaal, voor 14 april 2026 en totdat de Raad in de hoofdzaak onherroepelijk uitspraak heeft gedaan. Subsidiair verzoekt verzoeker de Svb te gelasten alle uit goedgekeurde (zorg)overeenkomsten voortvloeiende arbeidsrechtelijke verplichtingen – inclusief de per 1 januari 2026 verschuldigde RDAH werkgeverslasten – proactief te honoreren buiten het declaratiesysteem om, consistent met haar bestaande praktijk bij de transitievergoeding, de WW-premie en de ziekengeldcompensatie, met onmiddellijke ingang. Meer subsidiair verzoekt verzoeker de Svb en de betrokkene gemeenten te gelasten budgethouders proactief te informeren over de financiële gevolgen van de RDAH afschaffing, de WAB-verplichtingen die het pgb tarief niet dekken en de gevolgen van de aflopende tijdelijke oproepkrachtentoestemming. Aanvullend heeft verzoeker verzocht de Svb te verplichten de exacte batchdatum door te geven waarop de (zorg)overeenkomst en het budget van appellant worden gemigreerd naar het pgb-portaal en (anders) een schorsing toe te wijzen.
4.5.
Met wat onder 4.4 is weergegeven voldoet het verzoek om voorlopige voorziening niet aan het materiële connexiteitsvereiste. De voorziening waar verzoeker hier om vraagt heeft geen betrekking op het bestreden besluit over de uitkering van compensatie voor verstrekt ziekengeld in 2024, waar de aangevallen uitspraak op ziet. Zoals verzoeker zelf ook vermeldt gaat die besluitvorming over een afgesloten periode in het verleden, terwijl verzoeker met zijn verzoek wil bewerkstelligen dat een voorlopige voorziening wordt getroffen voor gebeurtenissen daarna, die geen betrekking hebben op het besluit in de bodemprocedure.
4.6.
Voor het overige is geen sprake van zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht, omdat het bestreden besluit gaat over compensatie van een relatief gering bedrag aan ziekengeld over twee korte ziekteperiodes in het verleden. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat hij de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen afwachten.

Conclusie en gevolgen

5. Het voorgaande betekent dat voor het deel van het verzoek dat niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste, het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk nietontvankelijk is. Voor het overige bestaat vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang geen noodzaak voor het treffen van een voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening is in zoverre kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter zal dan ook uitspraak doen zonder zitting.

BESLISSING

De voorzieningenrechter
  • verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk voor zover het niet ziet op het bestreden besluit en de daarop betrekking hebbende aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) P.W.J. Hospel