Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:702

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/1102 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.6 Wmo 2015Art. 2.2 Verordening maatschappelijke ondersteuning Zwolle 2024Art. 2.7 Verordening maatschappelijke ondersteuning Zwolle 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag duo-scootmobiel op grond van de Wmo 2015 bevestigd

Appellante, geboren in 1956 met diverse aandoeningen waaronder een aandoening van het centrale zenuwstelsel, vroeg om een duo-scootmobiel omdat zij haar scootmobiel niet meer zelf kon bedienen. Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle wees de aanvraag af, stellende dat een elektrische duwrolstoel gecombineerd met individueel taxivervoer een passende en goedkopere voorziening is.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het besluit zorgvuldig was genomen, mede op basis van een medisch onderzoek door een BIG-geregistreerde arts. De arts concludeerde dat vervoer in een auto of rolstoeltaxi mogelijk is, ook tijdens perioden van overbeweeglijkheid, en dat het dragen van een driepuntsgordel mogelijk is zonder het implantaat in de rechterschouder te belasten.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet door een arts maar een ergonomisch adviseur was gedaan en dat vervoer in een auto extra risico's oplevert vanwege een aneurysma. De Raad verwierp deze stellingen, bevestigde dat het onderzoek door een arts is verricht die een aanval van overbeweeglijkheid heeft waargenomen, en oordeelde dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat de alternatieve voorziening passend is.

De Raad vond ook geen aanleiding om nieuwe informatie van de fysiotherapeut mee te nemen, omdat deze geen andere conclusie rechtvaardigde. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De aanvraag voor een duo-scootmobiel wordt afgewezen omdat een elektrische duwrolstoel met individueel taxivervoer een passende en goedkopere voorziening is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1102 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025, 25/634 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Datum uitspraak: 21 mei 2026

SAMENVATTING

In deze zaak oordeelt de Raad dat het college de verstrekking van een duo-scootmobiel op grond van de Wmo 2015 terecht heeft geweigerd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante gebruik kan maken van een elektrische duwrolstoel in combinatie met individueel (rolstoel) taxivervoer.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Schriemer en [naam zoon] , zoon van appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. Luigies.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1956, heeft diverse aandoeningen, waaronder een aandoening van het centrale zenuwstelsel, waardoor zij klachten heeft zoals tremors, onwillekeurige bewegingen, beperkingen in balans en mobiliteit en energetische beperkingen. In verband daarmee wordt appellante door middel van een implantaat in haar rechterschouder behandeld met Deep Brain Stimulation. Zij beschikt over een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg en haar zoon levert de zorg aan haar. Eerdere aanvragen van appellante voor een duo-scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) zijn door het college afgewezen. In 2023 heeft appellante wederom een aanvraag gedaan voor een duo-scootmobiel, omdat zij haar scootmobiel niet meer zelf kon bedienen.
1.2.
Bij besluit van 12 april 2024, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 januari 2025 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellante voor de verstrekking van een duo-scootmobiel op de grond van de Wmo 2015 afgewezen. Aan de weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat een duwrolstoel met kantelverstelling, al dan niet met elektrische ondersteuning adequaat en goedkoper is dan een duo-scootmobiel en dat appellante gebruik kan maken van collectief vervoer. Het collectieve vervoer kan op verzoek van appellante ook worden omgezet naar individueel vervoer, zo nodig met rolstoeltaxi, met begeleiding van de zoon.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Het college heeft het stappenplan gevolgd en mocht zich baseren op het advies van de arts, omdat dit op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De arts heeft de medische aandoening van appellante beoordeeld en beschreven, een huisbezoek afgelegd en vervolgens geconcludeerd dat er geen medische bezwaren zijn tegen het vervoer in een auto, taxi of rolstoeltaxi. Ook de perioden van overbeweeglijkheid zijn geen belemmering voor het gebruik van een taxi of rolstoeltaxi. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek blijkt dat de arts de feiten en omstandigheden goed in beeld had. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zij geen driepuntsgordel kan dragen. In de auto kan worden gekozen voor de zitplaats waar appellante de gordel over haar linkerschouder kan dragen, zodat het implantaat in de rechterschouder kan worden ontzien. Daarnaast kunnen een gordelversteller of een dun kussentje oplossing bieden. De rechtbank is verder van oordeel dat het college de informatie van de fysiotherapeut, niet had behoeven voor te leggen aan de arts van JPH Consult (JPH), omdat die informatie daartoe onvoldoende aanleiding toe gaf.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden door een arts, terwijl dat een ergonomisch adviseur was. Een ergonomisch adviseur kan niet de medische beperkingen van appellante beoordelen en heeft ook geen aanval van appellante meegemaakt. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat het gebruik van een driepuntsgordel geen gevaar oplevert. Daarbij levert vervoer in een auto extra risico op omdat appellante een aneurysma heeft in haar hoofd en bij een aanval haar hoofd kan stoten, wat gevaar oplevert. Een overdekte duoscootmobiel waarin appellante en haar zoon naast elkaar zitten, is volgens appellante het meest passend en compenserend. Appellante meent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de informatie van de fysiotherapeut niet aan de arts van JPH behoefde voor te leggen, terwijl de fysiotherapeut heeft aangegeven dat vervoer met taxi of auto gevaarlijke situaties kan opleveren.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag voor een duo-scootmobiel in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat berust. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
4.1.1.
Anders dan appellante stelt, is het onderzoek verricht door een arts, een BIGgeregistreerde medisch adviseur bij JPH. Die arts heeft tijdens het huisbezoek waargenomen dat appellante een aanval van overbeweeglijkheid kreeg na inname van haar medicatie. Hij had dus een beeld van wat zo’n aanval inhoudt.
4.1.2.
Het college mocht de aanvraag weigeren omdat een goedkopere vervoersvoorziening bestaande uit een andere duwrolstoel en individueel taxivervoer ook een passende bijdrage levert aan de vervoersbehoefte van appellante. Uit de beschikbare informatie is niet gebleken dat appellante niet in een individuele taxi of rolstoeltaxi kan worden vervoerd. In een (rolstoel)taxi kan appellante in de rolstoel of op de zitplaats waar de gordel over de linkerschouder loopt vervoerd worden, met begeleiding van haar zoon die tijdens een aanval van overbeweeglijkheid in haar directe nabijheid is. Appellante heeft haar stelling dat het vervoer in een auto vanwege haar aneurysma extra risico oplevert niet met medische gegevens onderbouwd. Bovendien zou appellante dat risico ook lopen in de door haar gewenste overdekte duo-scootmobiel.
4.1.3.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding was om de informatie van de fysiotherapeut, die is opgevraagd en ontvangen nadat het JPH-advies was uitgebracht, voor te leggen aan de arts van JPH. Uit die informatie kan niet worden afgeleid dat met individueel (rolstoel)taxivervoer, waarbij appellante een driepuntsgordel gebruikt en haar zoon naast haar zit, geen passende bijdrage wordt geleverd aan haar vervoersbehoefte. Daarmee leidt die informatie niet tot een andere conclusie dan de conclusie van het JPHadvies.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit waarbij de aanvraag van appellante om haar een duo-scootmobiel te verstrekken is afgewezen, in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5, derde lid
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Verordening maatschappelijke ondersteuning Zwolle 2024
Artikel 2.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening
1. Het college neemt het resultaat van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, en het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening.
2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.
3. Eerst wordt in een onderzoek beoordeeld of alle mogelijkheden van de cliënt zijn benut om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te regelen, zodat cliënt geen behoefte (meer) heeft aan maatwerkvoorzieningen.
4. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden de volgende criteria:
a. Er is geen aanspraak op een adequate andere voorziening op grond van een andere regeling;
b. Er is geen sprake van normale maatschappelijke kosten of van een algemeen gebruikelijke voorziening;
c. Er is geen sprake van voorzieningen die de aanvrager zelf heeft aangebracht, aangeschaft of verwijderd;
d. De aanvrager heeft nu te maken met hogere kosten dan in de situatie waarin er nog geen sprake was van beperkingen;
e. Er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving;
f. Het college kent in beginsel de goedkoopste adequate voorziening toe;
g. De voorziening was voorzienbaar, maar van de aanvrager kon redelijkerwijs niet verwacht worden om maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt;
h. Het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.
i. Het college vergoedt geen medische of therapeutische voorzieningen die bedoeld zijn om bepaalde gezondheidsklachten of ziekteverschijnselen te verminderen of te voorkomen.
j. Het college vergoedt geen voorzieningen voor belemmeringen die voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte, zelf aangebrachte of verwijderde materialen of middelen.

Artikel 2.7 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening

1. Met inachtneming van artikel 2.2 kan een aanvrager in aanmerking komen voor collectief vervoer als de cliënt door aantoonbare beperkingen niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
2. Een cliënt kan, als aantoonbare beperkingen het gebruik van het collectieve vervoer onmogelijk maken, in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor gebruik van de eigen auto of voor de aanpassing van de eigen auto.
3. Een aanvrager kan voor individueel taxivervoer in aanmerking komen als aantoonbare beperkingen het gebruik van het collectieve vervoer onmogelijk maken en aanvrager niet de beschikking heeft over een eigen auto.
4. Een aanvrager kan voor een vervoersvoorziening voor de directe woonomgeving in aanmerking komen als er sprake is van ernstige beperkingen in de mobiliteit. Een voorziening voor de directe woonomgeving kan in aanvulling op het gebruik van een andere vervoersvoorziening verstrekt worden.
5. Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet afdoende is.
6. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving van aanvrager en in elk geval binnen de gemeente Zwolle en de regio, in het kader van het leven van alledag.