Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:704

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/723 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en maatmanomvang WIA-uitkering

Appellant, voormalig steigerbouwer, betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 53,14% per 3 februari 2020 en stelde dat hij meer medische beperkingen heeft dan aangenomen. De medische beoordeling door de verzekeringsarts en de arbeidskundige selectie van passende functies werden door de rechtbank bevestigd, maar appellant voerde aan dat zijn beperkingen en benodigde rustmomenten onderschat zijn en dat de maatmanomvang onjuist is vastgesteld.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en dat de geselecteerde functies passend zijn. Wel erkent de Raad dat het UWV de maatmanomvang opnieuw zal vaststellen, met inachtneming van betaalde reisuren, hetgeen gevolgen kan hebben voor de uitkering.

Daarom slaagt het hoger beroep, wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt het UWV opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Het UWV moet het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep slaagt, het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/723 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2025, 20/6977 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 3 februari 2020 heeft vastgesteld op 53,14%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en dat voldoende gemotiveerd is dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. Omdat het Uwv heeft laten weten dat de maatmanomvang opnieuw zal worden vastgesteld, slaagt het hoger beroep wel en draagt de Raad het Uwv op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Okan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als steigerbouwer. Op 22 januari 2018 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten na een bedrijfsongeval. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 februari 2020. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 20 februari 2020 geweigerd appellant met ingang van 3 februari 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Nadat appellant beroep had ingediend tegen deze beslissing, heeft de kantonrechter, voor zover van belang, in haar vonnis van 11 maart 2021 een oordeel gegeven over de hoogte van het uurloon en de reisurenvergoeding waar appellant in zijn laatst verrichte werk als steigerbouwer recht op had. Appellant heeft vervolgens het Uwv verzocht om een nieuwe arbeidskundige beoordeling. De arbeidsdeskundige heeft de maatmanomvang vastgesteld op 45 uur per week, uitgaande van de CAO omvang van 40 uur per week met vermeerdering met vijf betaalde reisuren per week. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 48,43%. Bij besluit van 10 juni 2020 heeft het Uwv appellant daarom alsnog per 3 februari 2020 loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.4.
Bij besluit van 17 juni 2022 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag
.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beroepsgrond van appellant dat een urenbeperking op preventieve gronden had moeten worden aangenomen, heeft de rechtbank verworpen. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 9 september 2020 toegelicht dat appellant niet voldoet aan de criteria, zoals deze zijn neergelegd in de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid. In zijn rapport van 15 maart 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht dat appellant met het aannemen van de beperkingen in de FML al is aangewezen op energetisch relatief licht belastend werk, zodat geen aanleiding bestaat voor een aanvullende urenbeperking. Rekening houdend met de in de FML opgenomen beperkingen, is er geen noodzaak tot aanvullende rustmomenten gedurende de dag. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen reden gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn conclusies. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank vastgesteld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de beroepsfase het maatmaninkomen hoger heeft vastgesteld op € 22,92 per uur, waarna een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 53,14%. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de maatmanomvang onjuist heeft vastgesteld op 39,38 uur per week, waarbij de reisuren niet zijn meegenomen als gewerkte uren. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank over bestreden besluit 2 niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn medische klachten zijn onderschat. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen, omdat uit zijn dagverhaal blijkt dat rustmomenten nodig zijn. Appellant vindt het onbegrijpelijk dat hij niet meer beperkt is geacht op zitten tijdens werk, dat er geen beperking is aangenomen op werken met toetsenbord en muis en dat de beperking op vervoer is vervallen. Daarnaast is er ten onrechte vanuit gegaan dat er nog verbetering van zijn medische toestand zou optreden. Appellant heeft verder gesteld dat de maatmanomvang onjuist is vastgesteld, omdat de 39,38 uren conform de CAO vermeerderd moeten worden met de reisuren. Volgens appellant was sprake van tien betaalde reisuren per week.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 2 over de mate van arbeidsongeschiktheid op 53,14% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat sprake is van verschillende klachten aan het bewegingsapparaat voortkomend uit letsel dat is opgetreden bij een bedrijfsongeval, waaruit beperkingen voortvloeien in onder meer de belastbaarheid van de linker hand/pols, schouder, rug en linkerknie. Appellant is daarom aangewezen op fysiek relatief licht belastende arbeid waarbij zitten, staan en lopen voldoende kunnen worden afgewisseld en specifiek zware belasting van de gewrichten wordt vermeden. De beroepsgrond dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen, omdat uit het dagverhaal blijkt dat rustmomenten nodig zijn, slaagt niet. De overwegingen van de rechtbank hierover worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat vermoeidheidsklachten door appellant tijdens de spreekuren met de verzekeringsarts niet zijn benoemd. De overige medische gronden slagen evenmin. Appellant kan ongeveer een half uur achtereen zitten en ongeveer zes uur tijdens werk. Het Uwv wordt gevolgd in de toelichting dat dit niet tegenstrijdig is, omdat met beide items iets anders wordt bedoeld. Volgens het CBBS-Handboek gaat het bij zitten tijdens werk over de som van de afzonderlijke perioden op een werkdag waarin aaneengesloten gezeten wordt. Het Uwv wordt ook gevolgd in de reactie dat beperkingen op motorische hand/vingerbewegingen en repetitieve hand/vingerbewegingen niet met zich brengen dat ook het werken met toetsenbord en muis meer beperkt moet worden geacht dan in de FML van 4 februari 2020 is aangenomen. Gelet op het feit dat appellant op de datum in geding weer kon autorijden, zij het met moeite, is ook te volgen dat hij niet (meer) beperkt is geacht op vervoer. Appellant heeft verder niet met medische stukken onderbouwd dat hij meer beperkt is op zitten tijdens werk, werken met toetsenbord en muis en op vervoer dan het Uwv heeft aangenomen. De prognose van de verzekeringsarts dat de medische situatie van appellant naar verwachting op lange termijn in belangrijke mate zal verbeteren, behoeft verder geen bespreking, omdat het in deze zaak niet gaat om de beoordeling van de duurzaamheid van de beperkingen.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. Naar aanleiding van de beroepsgrond dat de maatmanomvang onjuist is vastgesteld, heeft het Uwv ter zitting toegezegd de maatmanomvang te zullen aanpassen met in ieder geval vijf uur per week betaalde reisuren waarvan de arbeidsdeskundigen eerder in de rapporten van 4 mei 2021 en 13 juni 2022 zijn uitgegaan. In het kader van die aanpassing van de maatmanomvang zal ook worden beoordeeld of deze reisuren tien uren moeten bedragen, zoals appellant heeft aangevoerd. Daarbij wordt aangetekend dat appellant ter zitting heeft toegelicht dat dit zou blijken uit de stukken die hij aan het Uwv kan overleggen. Omdat onduidelijk is wat het gevolg zal zijn van deze nieuwe vaststelling van de maatmanomvang, kan de Raad niet zelf in de zaak voorzien.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Gelet op 5.3 slaagt het hoger beroep tegen bestreden besluit 2. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Het beroep tegen het besluit van 17 juni 2022 wordt alsnog gegrond verklaard en dit besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv moet opnieuw beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2021 met inachtneming van deze uitspraak. Door middel van een nieuw arbeidskundig onderzoek zal moeten worden beoordeeld welke gevolgen de nieuwe vaststelling van de maatmanomvang heeft voor de aanspraken van appellant op grond van de Wet WIA. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. Voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn niet gesteld. Wel moet het Uwv aan appellant het hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juni 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2021 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.C.T. Yao