Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:706

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/1109 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd

Appellante ontving een Ziektewet-uitkering na ziekmelding in juli 2023 vanwege diverse klachten. Het UWV beëindigde de uitkering per 17 oktober 2023 op basis van een medische beoordeling dat zij geschikt was voor haar laatste werk als klantenservicemedewerker. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beperkingen haar niet verhinderen haar werk te doen, mede omdat zij thuis werkt en gebruik kan maken van een toilet en incontinentiemateriaal.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten, waaronder frequent toiletbezoek en pijnklachten, onvoldoende werden meegewogen en dat het UWV onvoldoende motiveerde waarom zij haar werk zou kunnen verrichten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de medische beoordeling juist en voldoende onderbouwd is. De klachten zijn niet medisch objectief vastgesteld als zodanig dat zij haar werk onmogelijk maken.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarmee in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.

Uitspraak

25/1109 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2025, 24/4067 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de uitkering die appellante ontving op grond van de ZW per 17 oktober 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellante is verschenen, vergezeld van haar moeder, en bijgestaan door mr. Hoksbergen. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker klantenservice voor 24 uur per week. Op 21 juli 2023 heeft zij zich ziekgemeld met buikklachten, misselijkheid, en met spier-, pijn- en vermoeidheidsklachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 16 oktober 2023 heeft zij het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante per 17 oktober 2023 geschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 26 oktober 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering per 17 oktober 2023 beëindigd
.
1.2.
Bij besluit van 19 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de medische beoordeling door het Uwv. De stelling van appellante dat zij sinds een beoordeling in 2020 in het kader van een Eerstejaars Ziektewet beoordeling (EZWb) met een toename van klachten kampt, betekent niet dat daarvan uitgegaan moet worden per de datum ziekmelding in juli 2023, omdat deze klachten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet medisch objectiveerbaar zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding dat standpunt niet te volgen. Ten tijde van de EZWb zijn beperkingen aangenomen voor de noodzaak van een toilet in de buurt en afwisselend werken, buigen, tillen, zwaar tillen, lopen, dragen, traplopen, staan, geknield en gebogen werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt ingenomen dat appellante met deze beperkingen in staat moet zijn om 24 uur per week thuis als klantenservicemedewerker te werken. Dat appellante ook op onverwachte momenten gebruik moet kunnen maken van het toilet maakt de beoordeling niet anders. Daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht gezegd dat appellante thuis werkt en daar een toilet in de buurt heeft en dat zij gebruik kan maken van incontinentiemateriaal. Wat betreft de stelling van appellante dat zij door deze handelwijze van het Uwv zonder nieuwe diagnose nooit een ZW- of andere arbeidsongeschiktheidsuitkering zal kunnen krijgen, heeft de rechtbank overwogen dat objectief moet vaststaan dat appellante door ziekte niet in staat is haar werkzaamheden te verrichten. Iedere nieuwe aanvraag om uitkering zal op basis van dit uitgangspunt worden beoordeeld.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij acht het niet begrijpelijk dat aan de toegenomen pijnklachten wordt voorbijgegaan omdat deze niet objectiveerbaar zouden zijn, terwijl de klachten wel in de rapporten zijn beschreven. Verder ziet appellante niet in hoe zij in staat is de maatgevende arbeid te verrichten terwijl zij twintig keer per dag naar het toilet moet en last heeft van hoofdpijn en duizeligheid en liesklachten. Nu appellante al enig tijd last heeft van toegenomen klachten is duidelijk dat het gaat om een stabiel patroon. Verder heeft het Uwv volgens appellante onvoldoende gemotiveerd waarom zij, ondanks de benodigde recuperatietijd, in staat wordt geacht haar werk te vervullen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
5.2.
De gronden in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden die appellante eerder in de procedure heeft aangevoerd. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat de beoordeling door het Uwv juist is en dat de gronden niet slagen. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
5.3.
Appellante is al lange tijd bekend met onder meer maag- en darmklachten. Deze zijn deels veroorzaakt door verklevingen na een operatie ten tijde van de jeugd van appellante. De vraag is in hoeverre de te objectiveren klachten appellante belemmeren haar eigen werk te vervullen. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat appellante ook bij veelvuldig toiletbezoek in staat is de maatgevende arbeid te verrichten, omdat zij vanuit huis werkt en gebruik kan maken van het toilet en incontinentiemateriaal. Deze toelichting wordt niet onjuist geacht. Het eigen werk betreft een fysiek lichte functie, die – zoals gezegd – vanuit huis en naar eigen inzicht kan worden uitgevoerd. Gezien de urenomvang van 24 uur per week is er voldoende recuperatietijd om te kunnen functioneren.
5.4.
Wat betreft de buikklachten wordt overwogen dat deze bekend zijn bij het Uwv en bij de beoordeling zijn meegewogen. Deze klachten spelen eveneens al langere tijd en appellante heeft daarmee kunnen functioneren. De gestelde toename van pijnklachten rond juli 2023 is niet medisch geobjectiveerd. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet dat appellante verdergaand beperkt is rond de datum in geding en door die klachten niet in staat is de functie van medewerker klantenservice te vervullen.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.C.T. Yao