ECLI:NL:CRVB:2026:709
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV, die is vastgesteld op 45,98% per 7 mei 2023. Zij stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan door het UWV is aangenomen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het UWV zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was.
In hoger beroep betoogt appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat zij niet lichamelijk is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat haar klachten onvoldoende in samenhang zijn beoordeeld. Zij verwijst naar diverse medische rapporten en stelt dat haar aandoeningen leiden tot beperkingen die niet zijn meegenomen.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, waarbij dossieronderzoek, spreekuren en relevante medische informatie zijn betrokken. De medische situatie is naar het oordeel van de Raad juist en volledig beoordeeld, waarbij ook de samenhang van aandoeningen is meegewogen. De arbeidskundige beoordeling is eveneens voldoende gemotiveerd en de functies passend.
Het hoger beroep wordt verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de toekenning van de WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45,98% blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 45,98%.