Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:709

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/934 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering van 45,98%

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV, die is vastgesteld op 45,98% met toekenning van een WGA-uitkering. Zij stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan door het UWV is aangenomen en dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer omdat zij niet lichamelijk is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was, waarbij de artsen alle relevante medische informatie hebben betrokken en gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen zijn aangenomen. De rechtbank vond dat de medische situatie van appellante juist was beoordeeld, ook in samenhang, en dat de geduide functies passend zijn.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft afgezien van een lichamelijk onderzoek gezien het eerdere onderzoek door de primaire arts, en dat de medische informatie die appellante heeft ingebracht geen nieuw of ander beeld geeft. Ook de arbeidskundige beoordeling is voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van de WIA-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 45,98%.

Uitspraak

25/934 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2025, 24/4412 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 7 mei 2023 heeft vastgesteld op 45,98%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als allround medewerker inpakkerij voor 41,07 uur per week. Appellante heeft zich op 17 januari 2021 ziekgemeld met klachten aan haar onderrug en bekken. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 oktober 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 45,98%. Het Uwv heeft bij besluit van 14 november 2023 aan appellante met ingang van 7 mei 2023 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45,98%.
1.2.
Bij besluit van 27 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de primaire arts dossieronderzoek heeft gedaan, een (fysiek) spreekuur heeft gehouden op 15 augustus 2023 en informatie heeft opgevraagd bij de behandelaar van appellante. De primaire arts heeft ook lichamelijk onderzoek verricht, waaronder aan de nek en de rug. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek gedaan, kennisgenomen van de bezwaargronden en de in bezwaar aangeleverde medische informatie, aanvullende informatie opgevraagd en heeft appellante gezien op het spreekuur van 25 september 2024. In zijn rapport van 15 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat een lichamelijk onderzoek gelet op de problematiek van appellante niet bijdraagt aan een zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook opgemerkt dat de primaire arts gericht lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd en de medische informatie van appellante heeft meegenomen. Naar het oordeel van de rechtbank kon de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval afzien van een eigen lichamelijk onderzoek. Uit het rapport blijkt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van de aard van alle door appellante geclaimde klachten, dat hij bij het onderzoek en de beoordeling alle aanwezige medische informatie inzichtelijk heeft betrokken en de conclusie navolgbaar heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft overwogen dat appellante niets inhoudelijks heeft ingebracht tegen de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarom in bezwaar van lichamelijk onderzoek is afgezien. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de beoordeling door de (verzekerings)artsen van het Uwv. Naar het oordeel van de rechtbank is inzichtelijk en duidelijk gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen zijn aangenomen. Appellante heeft fysieke en psychische klachten. Mede vanwege deze klachten heeft het Uwv beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden van de FML. Appellante heeft haar stelling dat zij meer beperkt is niet onderbouwd met (nieuwe) medische informatie van haar behandelaars of anderszins. De rechtbank heeft op basis van het dossier geconcludeerd dat de (verzekerings)artsen van het Uwv bekend waren met de door appellante genoemde aandoeningen en diagnoses en deze voldoende hebben meegewogen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen arbeidsbeperkingen aangenomen worden voor de bloedwaardes. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in bezwaar overwogen dat de bloedwaardes een beperkt tekort laten zien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin geen aanleiding gezien om meer beperkingen voor werk aan te nemen. Omdat er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank heeft, uitgaande van de juistheid van de FML, geconcludeerd dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft dat de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Zij is eerst beoordeeld door een arts en pas in bezwaar, is zij gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft haar niet lichamelijk onderzocht en er is alleen summiere informatie opgevraagd bij de huisarts en bij de psycholoog. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij per datum in geding niet in staat was om werkzaamheden te verrichten. Per beoordelingsdatum is een depressieve episode en fibromyalgie gediagnostiseerd. Appellante ervaart nog steeds veel pijnklachten in het gehele lichaam, welke bij fysieke belasting toenemen en leiden tot verergering van vermoeidheid. Haar nachtrust is structureel verstoord door pijn. Daarnaast is sprake van aanvullende somatische problematiek, waaronder tekorten aan vitamine D, vitamine B12 en ijzer, en verminderde ijzeropname. Deze factoren dragen bij aan structurele vermoeidheidsklachten. Er is sprake van carpaal tunnelsyndroom (CTS) van de linkerhand, wat volgens appellante onvoldoende is vertaald in beperkingen binnen de FML. Ook kampt appellante met heftige menstruatieklachten, slaapstoornissen en pijnklachten mede ten gevolge van een huidaandoening. Appellante staat onder behandeling bij Osperon, waar zij wekelijks gesprekken voert met een psycholoog en maandelijks met een psychiater. Aan haar zijn Duloxetine en Zolpidem voorgeschreven. De behandeling richt zich op acceptatie van de lichamelijke klachten, relatieproblematiek en verlieservaringen. Ook heeft EMDR-therapie plaatsgevonden in verband met jeugdtrauma. Appellante heeft gemotiveerd aangeven op welke aspecten van de FML er volgens haar onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. De medische situatie van appellante is onjuist ingeschat, omdat haar aandoeningen afzonderlijk zijn beoordeeld en niet in samenhang met elkaar. Vanwege de slaapproblemen met recuperatiebehoefte had een urenbeperking moeten worden aangenomen, waarbij in acht dient te worden genomen dat appellante kampt met vermoeidheid en energieverlies. Appellante heeft in hoger beroep ter onderbouwing verwezen naar in beroep en in hoger beroep ingezonden informatie van haar behandelend reumatoloog, anesthesioloog, internist, plastisch chirurg en psychiater. Appellante heeft verzocht om een deskundige verzekeringsarts te benoemen. Appellante heeft per functie toegelicht waarom de functies in medisch opzicht, gelet op de door haar ervaren klachten en beperkingen, ongeschikt zijn voor appellante.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 45,98% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De beroepsgrond dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afgezien van een lichamelijk onderzoek, slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht en kennisgenomen van de beschikbare informatie van de behandelend sector, waaronder aanvullende medische informatie, opgevraagd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, van de huisarts en de psycholoog. Tijdens het spreekuur van 25 september 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische aandoeningen, klachten en behandelingen met appellante doorgenomen en haar geobserveerd en oriënterend psychisch onderzoek verricht. In het rapport van 15 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat een lichamelijk onderzoek achterwege is gebleven omdat de primaire arts op 15 augustus 2023 een gericht lichamelijk onderzoek heeft verricht. De onderzoeksactiviteiten van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep rechtvaardigen de conclusie dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel, en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de criteria om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen. Dat deze conclusie onjuist is en dat zij wegens haar ziekte in het geheel niet kan werken, heeft appellante niet onderbouwd met medische gegevens. Appellante wordt daarnaast niet gevolgd in haar stelling dat het Uwv haar klachten ten onrechte niet in samenhang heeft beoordeeld. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben bij de beoordeling rekenschap gegeven van alle aandoeningen en de daaruit voortkomende klachten van appellante en daarvoor beperkingen aangenomen. Niet is gebleken dat de aandoeningen geïsoleerd zijn beoordeeld en daarmee sprake is van een onjuiste beoordeling van de medische situatie van appellante. Door de artsen van het Uwv is geconcludeerd dat zware fysieke belasting dient te worden vermeden. Vanwege de psychische klachten zijn daarnaast beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren vastgelegd, zodat grotere tempo/tijdsdruk en grotere emotionele belasting vermeden wordt, zoals bijvoorbeeld bij het hanteren van conflicten. In verband met haar energetische klachten is zij aangewezen op regelmatige werktijden en is een beperking aangenomen voor ’s nachts werken.
5.4.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in medisch opzicht tekort is gedaan met de FML van 19 oktober 2023. In een rapport van 9 januari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de in beroep en hoger beroep ingezonden medische informatie geen informatie bevat die niet eerder bekend was. Hierbij is erop gewezen dat de informatie uit de ingebrachte brieven de aandoeningen en klachten beschrijft die ook al bekend waren en waren meegewogen, zoals verdenking op fibromyalgie en verdenking op CTS. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt vastgesteld dat de medische informatie geen ander beeld geeft van de medische situatie van appellante op de datum in geding. Dat geldt ook voor de brief van 2 april 2026 van psychiater D. Keles, waarin uitgebreider is ingegaan op de onderliggende problematiek bij appellante dan in de eerdere informatie van deze psychiater. Zonder aan de ernst van deze informatie te willen afdoen, wordt vastgesteld dat in de eerdere brieven van de psychiater al de klachten van appellante en de bevindingen van de psychiater naar voren zijn gebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 31 maart 2026 op inzichtelijke wijze onderbouwd waarom die informatie geen reden geeft de beoordeling rond de datum in geding voor onjuist te houden.
5.5.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
6. Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 oktober 2023 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. De door appellante gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,98% in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.C.T. Yao