ECLI:NL:CRVB:2026:720
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- J.T.H. Zimmerman
- E.C.E. Marechal
- C.F.E. van OldenSmit
- Rechtspraak.nl
Beoordeling levensvatbaarheid taxibedrijf voor toekenning bijstand zelfstandigen
Appellant is sinds 2016 eigenaar van een taxibedrijf en vroeg in 2021 bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college liet een adviesbureau onderzoek doen naar de levensvatbaarheid van het bedrijf, dat concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was vanwege hoge zakelijke en privé-schulden en hoge huurlasten.
Het college kende bijstand toe voor de laatste maanden van 2021 als beëindigend zelfstandige, maar wees een verlengingsaanvraag in januari 2022 af. Appellant stelde dat het bedrijf in 2022 wel een marktconforme omzet behaalde en dat privé-schulden buiten beschouwing moesten blijven bij de beoordeling van levensvatbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beoordeling van levensvatbaarheid plaatsvindt op het moment van het besluit en dat latere ontwikkelingen, zoals de aangifte inkomstenbelasting 2022 en lagere huurlasten, niet relevant zijn. Ook met uitsluiting van privé-schulden was het bedrijf niet levensvatbaar vanwege de hoge zakelijke schulden en huurlasten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en werd appellant geen verdere bijstand toegekend. Tevens werden de proceskosten en griffierechten niet vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het taxibedrijf wordt niet als levensvatbaar aangemerkt voor bijstandverlening.