Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:721

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
26/713 PW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft bij de rechtbank een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn is afgewezen vanwege een eigen vermogen dat de vermogensgrens overschrijdt. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd in een uitspraak van 11 februari 2026. Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij bijstand nodig heeft om een vaste huurwoning te verkrijgen vanwege zijn medische situatie, waarbij hij stelt dat de regelmatige verhuizingen ernstige lichamelijke en psychische gevolgen hebben.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Hierbij is overwogen dat een dergelijk verzoek een actueel financieel spoedeisend belang vereist, bijvoorbeeld dreiging van huisuitzetting of afsluiting van energie. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de verhuiskosten niet kan dragen vanuit zijn vermogen, noch dat zijn medische situatie een acute noodsituatie vormt.

Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en is het zonder zitting afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen op 2 juni 2026.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot bijstand wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

26/713 PW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2026

SAMENVATTING

In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van het verlenen van een bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 februari 2026, 25/2592 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Raad heeft verzoeker gevraagd naar het actuele – financiële – spoedeisend belang en dit te onderbouwen. Verzoeker heeft hierop gereageerd.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Verzoeker heeft op 22 oktober 2024 bij de rechtbank een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet ingediend. De rechtbank heeft deze aanvraag ter behandeling doorgezonden naar het college.
1.2.
Met een besluit van 23 januari 2025, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 mei 2025 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat verzoeker een eigen vermogen heeft van € 88.503,39. Dat is meer dan het voor hem geldende vrij te laten vermogen van € 7.770,-.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in een uitspraak van 11 februari 2026, voor zover hier relevant, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat niet in geschil is dat appellant een eigen vermogen heeft boven de voor hem geldende vermogensgrens en dat er geen reden is om toch bijstand toe te kennen.
Het standpunt van verzoeker
3. Wat verzoeker tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat hij bijstand nodig heeft om een vaste huurwoning te regelen en dat hij die vaste huurwoning nodig heeft in verband met zijn medische situatie.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Als tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
4.2.
In artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer, als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. Dat is hier het geval. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.3.
De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Een dergelijk belang kan worden aangenomen als een betrokkene door het bestreden besluit schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of van het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten.
4.4.
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat hij zonder een vast inkomen geen vaste huurwoning kan krijgen. Daardoor is hij gedwongen om regelmatig te verhuizen. Hiermee zijn aanzienlijke kosten gemoeid. De activiteiten die gepaard gaan met die verhuizingen kunnen verder, gelet op zijn medische situatie, tot ernstig lichamelijk en psychisch letsel leiden of tot een situatie van levensbedreigende aard. Een vaste huurwoning is een middel om in leven te blijven en een standaard levensstijl te handhaven. Volgens verzoeker is de situatie waar hij in zit zonder meer onaanvaardbaar en is er geen andere oplossing dan bijstandverlening.
4.5.
Uit 4.4 volgt niet dat sprake is van een spoedeisend belang bij een voorliggende voorziening. Daarbij kan in het midden blijven of verzoeker met zijn vermogen, maar zonder inkomen, geen huurwoning kan krijgen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de door hem genoemde kosten op dit moment niet zou kunnen dragen vanuit het aanwezige vermogen. Ook heeft hij de door hem gestelde gevolgen van de regelmatige verhuizingen niet aannemelijk gemaakt. Uit de medische stukken in het dossier blijkt dat verzoeker meer rust voor zijn enkel zou hebben als hij niet constant moet verhuizen, maar daaruit blijkt niet van een dreigende medische noodsituatie als door verzoeker omschreven.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Uit het voorgaande volgt dat er wegens het ontbreken van een spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak zal doen zonder zitting.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.