ECLI:NL:CRVB:2026:723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-toeslag na overlijden echtgenote zonder eigen pensioenaanspraak
Appellant maakte bezwaar tegen het beëindigen van de AOW-toeslag na het overlijden van zijn echtgenote, die recht had op een AOW-pensioen inclusief toeslag voor een jongere partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had het AOW-pensioen van de echtgenote beëindigd en daarmee ook de toeslag voor appellant, die zelf nog niet pensioengerechtigd is.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen zelfstandig recht op de toeslag heeft en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat uit de communicatie van de Svb niet blijkt dat appellant aanspraak kan maken op de toeslag na het overlijden van zijn echtgenote. De Raad onderschrijft dit oordeel volledig en bevestigt het bestreden besluit.
Appellant stelde dat hij uit een brief van de Svb mocht afleiden dat hij recht had op een AOW-uitkering voor alleenwonenden, maar de Raad oordeelt dat deze brief tot verwarring kan leiden maar geen zelfstandig recht op toeslag creëert. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand. Appellant krijgt het betaalde griffierecht niet terug.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de AOW-toeslag blijft in stand.