ECLI:NL:CRVB:2026:723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-toeslag na overlijden echtgenote zonder eigen pensioenaanspraak
Appellant maakte bezwaar tegen het beëindigen van de AOW-toeslag na het overlijden van zijn echtgenote, die recht had op een AOW-pensioen inclusief toeslag voor een jongere partner. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde het AOW-pensioen en de toeslag na haar overlijden, omdat appellant zelf nog niet pensioengerechtigd was en geen zelfstandig recht op toeslag had.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de AOW-toeslag alleen toekomt aan de pensioengerechtigde echtgenoot. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat uit de communicatie van de Svb niet bleek dat appellant aanspraak kon maken op de toeslag na het overlijden van zijn echtgenote.
Appellant ging in hoger beroep en verwees opnieuw naar een brief van de Svb waarin werd gesproken over de mogelijkheid van een AOW voor alleenwonenden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellant geen zelfstandig recht op AOW-toeslag heeft zolang hij niet pensioengerechtigd is.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en appellant kreeg het betaalde griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door L.M. Tobé en uitgesproken op 27 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de AOW-toeslag blijft in stand.