ECLI:NL:CRVB:2026:731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen niet-ontvankelijkverklaring Wajong-uitkering te laat ingediend
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn Wajong-uitkering weer betaalbaar te stellen per 16 oktober 2023. Dit bezwaar werd echter pas op 30 september 2024 ontvangen, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Het UWV verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit en oordeelde dat appellant eerder op de hoogte had kunnen zijn van het besluit, mede omdat zijn gemachtigde en begeleider contact hadden gehad met het UWV.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege psychische ziekte en problemen met de post, onder meer door COVID-19. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze omstandigheden geen bijzondere redenen vormen die het te late indienen van het bezwaar kunnen rechtvaardigen. De Raad wees erop dat appellant zich kort na het primaire besluit had laten vertegenwoordigen en dat er geen belemmeringen waren om tijdig bezwaar te maken.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Appellant kreeg geen vergoeding van het griffierecht. De beslissing werd uitgesproken door rechter F.M. Rijnbeek op 3 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar blijft in stand.