ECLI:NL:CRVB:2026:732

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/1780 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en toewijzing schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn Wajong-uitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland over haar Wajong-uitkering. Het UWV kwam haar tegemoet met een nieuwe beslissing, waarna appellante het hoger beroep introk en verzocht om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad beoordeelde dat de totale procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep langer dan de redelijke termijn had geduurd, namelijk ruim drie jaar, terwijl maximaal vier jaar voor drie instanties is toegestaan. De overschrijding van de redelijke termijn bedroeg circa één jaar en drie maanden, wat een schadevergoeding van €1.500,- rechtvaardigt.

De overschrijding werd verdeeld tussen het UWV (bestuurlijke fase) en de Staat (rechterlijke fase) conform jurisprudentie. Daarnaast werden proceskosten toegekend aan appellante voor het indienen van het hoger beroep en een schriftelijke zienswijze. Het UWV werd ook veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, na overleg met partijen. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van €300,- schadevergoeding en €1.633,50 aan proceskosten, en de Staat tot €1.200,- schadevergoeding en €233,50 proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het UWV en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn in de Wajong-procedure.

Uitspraak

25/1780 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2025, 23/1595 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 11 december 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en appellante alsnog met ingang van 5 augustus 2016 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek van appellante heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.1.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
1.2.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv een tegemoetkomend besluit heeft genomen.
1.3.
Appellante heeft gewezen op de hoger beroepsgronden, dat de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn en zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de kosten van het indienen van een schriftelijke zienswijze van 30 juli 2024 bij de rechtbank en het schadeverzoek.
Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
2. Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.
2.1.
De aangevallen uitspraak wordt tevens aangemerkt als een afwijzing van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
2.2.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
2.3.
In een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechtbank daarover een oordeel te geven, uitgaande van de onder 2.2 genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. De nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar. In dit geval is er geen aanleiding van deze termijn af te wijken. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 11 mei 2022 tot de uitspraak van de rechtbank op 18 juli 2025 zijn (afgerond) drie jaar en drie maanden verstreken. Nu de totale behandelingsduur twee jaar mocht bedragen, is deze met één jaar en drie maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
2.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 25 januari 2023 (afgerond) 9 maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met drie maanden is overschreden. Voorts is sprake van een te lange behandelingsduur door de rechtbank nu deze meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is dus zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase geschonden. Voor berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [1] De overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase komt voor rekening van het Uwv en het resterende deel voor rekening van de Staat. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 300,- (3/15 deel van € 1.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.200,- (12/15 deel van € 1.500,-).
2.5.
Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,-) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50.
Proceskosten
3. Het Uwv heeft bij het gewijzigde besluit op bezwaar van 9 juli 2024 de ten behoeve van het bezwaar gemaakte kosten vergoed. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Er bestaat aanleiding om het Uwv, naast de proceskostenveroordeling in de aangevallen uitspraak, te veroordelen in de proceskosten van het beroep tot een extra halve punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze van 30 juli 2024 bij de rechtbank. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 467,- in beroep (0,5 punt voor de zienswijze) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
3.1.
Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 1.633,50.
4. Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 300,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.200,-;
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.633,50;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € € 233,50;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) J.A. Achterberg

Voetnoten

1.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.