ECLI:NL:CRVB:2026:741

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/1090 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen van beëindiging ZW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante was werkzaam als officemanager en meldde zich in september 2009 ziek vanwege spanningsklachten na een traumatische ervaring. Haar ZW-uitkering werd per 11 augustus 2010 beëindigd na een herbeoordeling door het UWV. Appellante verzocht meerdere malen om terug te komen van dit besluit, stellende dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren, waaronder medische rapporten uit 2021-2023 die haar aanhoudende psychische klachten bevestigen.

Het UWV wees deze verzoeken af omdat de nieuwe informatie niet ziet op de situatie in 2010 en er geen sprake is van nieuwe feiten in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het besluit niet evident onredelijk was genomen. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de aangevoerde medische stukken en krantenartikelen geen nieuwe feiten of omstandigheden vormen die terugkomen van het besluit rechtvaardigen. Ook was het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen ongegrond. De Raad bevestigde dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist is en dat de weigering om terug te komen terecht is gehandhaafd.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding. De Raad benadrukte dat de beoordeling zich beperkt tot nieuwe feiten en niet tot een hernieuwde inhoudelijke discussie over het oorspronkelijke besluit.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1090 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2025, 24/7432 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2010, waarbij de ZW-uitkering van appellante per 11 augustus 2010 is beëindigd. Volgens appellante is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat de rechtbank de weigering terecht in stand heeft gelaten.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als officemanager. Zij heeft zich op 15 september 2009 ziekgemeld vanwege spanningsklachten na een traumatische ervaring. Appellante ontving vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Na een herbeoordeling is appellante per 11 augustus 2010 geschikt geacht voor haar eigen werk en is bij besluit van 10 augustus 2010 de ZW-uitkering beëindigd.
1.2.
Appellante heeft op 26 april 2011 een verzoek ingediend om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2010. Het Uwv heeft dit verzoek met een besluit van 1 augustus 2011 afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
1.3.
Appellante heeft zich vervolgens op 18 februari 2012 met terugwerkende kracht per 2 september 2010 ziekgemeld en daartoe stukken van de huisarts, de GZ-psycholoog en Indigo overgelegd. Met het besluit van 4 april 2012 heeft het Uwv appellante een ZWuitkering geweigerd. Met een beslissing op bezwaar van 17 augustus 2012 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich hierbij onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep mede op het standpunt gesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2010.
1.4.
Bij brief van 15 september 2022 heeft appellante het Uwv nogmaals verzocht om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2010.
1.5.
Met een besluit van 27 maart 2023 is dit verzoek afgewezen omdat er volgens het Uwv geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Met de beslissing op bezwaar van 24 juni 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2024 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nova als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangedragen op grond waarvan teruggekomen zou moeten worden van het besluit van 10 augustus 2010. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 23 maart 2023 blijkt dat de psychische klachten van appellante bekend waren en dat de overgelegde medische stukken zijn betrokken in de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 juni 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat de ingebrachte informatie uit 2021, 2022 en 2023 de medische situatie van appellante per de datum in geding niet in een ander licht plaatst. Het incident in 2009 was bij de eerdere beoordeling bekend, de daaruit voortvloeiende klachten werden door de verzekeringsarts rondom augustus 2010 beschreven, zijn niet betwist en zijn destijds meegewogen in de beoordeling. De diagnose van de depressie is in 2021 gesteld en de daartoe ingezette behandeling is daarna begonnen. De toen gestelde diagnose zegt niet zonder meer iets over de aanwezigheid van een depressie op de datum in geding.
2.1.
De rechtbank heeft verder overwogen dat in wat appellante heeft aangevoerd, geen aanleiding wordt gezien om te oordelen dat de weigering om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2010 evident onredelijk is. Bij de beoordeling of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Hiervan kan sprake zijn als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. De rechtbank ziet hier geen aanknopingspunten voor. De enkele stelling dat het UWV vaker fouten maakt en de daartoe ingediende krantenartikelen geven geen concrete onderbouwing waarom in het geval van appellante sprake is van onmiskenbare onjuistheid.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep herhaald dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan teruggekomen dient te worden van het besluit van 10 augustus 2010. Appellante wijst nogmaals op informatie van Cirya GGZ van 17 november 2021, 12 september 2022 en 14 juni 2023 waaruit volgt dat zij aanhoudende psychische klachten heeft als gevolg van een traumatische ervaring. Het besluit is ook evident onrechtmatig. Appellante is in 2010 niet goed onderzocht door de verzekeringsartsen van het Uwv. Zij hebben alleen op basis van de uiterlijke verschijning van appellante geconcludeerd dat appellante weer kon werken. Appellante heeft verschillende krantenartikelen in geding gebracht waaruit blijkt dat het Uwv veel fouten maakt bij beoordelingen over arbeidsongeschiktheid. Ook heeft zij het Uwv gevraagd het besluit van 10 augustus 2010 toe te sturen, maar dat is niet gebeurd. Tot slot verzoekt appellante de Raad een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2010 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [1]
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb ten grondslag heeft gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er blijk van gegeven de informatie van Cirya goed bestudeerd te hebben. Hij heeft zich gemotiveerd en inzichtelijk op het standpunt gesteld dat de overgelegde informatie niet ziet op de medische situatie van appellante in 2010. De Raad onderschrijft de hierover gegeven overwegingen van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ook de krantenartikelen over het Uwv waarnaar appellante wederom heeft verwezen, zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden. De krantenartikelen zijn bovendien algemeen van aard en hebben geen betrekking op appellante en haar situatie in 2010.
5.4.
Appellante wil met wat zij heeft aangevoerd in feite opnieuw een discussie voeren over de juistheid van het besluit van 10 augustus 2010. Daarvoor is echter geen plaats omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen wordt afgewezen.
5.5.
Nu de onjuistheid van het oorspronkelijke besluit niet is komen vast te staan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is.
5.6.
Voor zover appellante ter zitting beoogd heeft te stellen dat zij niet bekend is met het besluit van 10 augustus 2010, omdat het UWV in deze procedure geen afschrift hiervan heeft overgelegd, volgt de Raad haar daarin niet. Appellante heeft dit besluit ontvangen. Zij heeft hiertegen destijds tijdig bezwaar gemaakt en bovendien reeds eerder een verzoek gedaan om terug te komen van dit besluit. Ook de rapporten die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit, zijn bij appellante bekend.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug komen van het besluit van 10 augustus 2010 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) D.S de Vries

(getekend) H. de Brabander

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.