Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:758

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/2210 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en toewijzing proceskostenvergoeding

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een WIA-zaak. Het UWV nam op 18 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee het tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat partijen geen zitting wensten en sloot het onderzoek. Op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht oordeelde de Raad dat het UWV de proceskosten van appellant moest vergoeden, inclusief kosten voor het opvragen van medische informatie en het griffierecht betaald in hoger beroep.

De totale proceskostenvergoeding bedroeg €3.042,59, exclusief het griffierecht van €143,- dat het UWV eveneens moest vergoeden. De uitspraak werd op 10 juni 2026 in het openbaar gedaan door S.B. Smit-Colenbrander.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

25/2210 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2025, 24/8735 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Marges advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 17 november 2025 heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft op 18 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 februari 2026 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 februari 2026 zijn de kosten in bezwaar al vergoed. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). Daarnaast komen de kosten die appellant heeft moeten maken voor het opvragen van medische informatie ter hoogte van € 240,59 voor vergoeding in aanmerking. Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten bedraagt daarmee € 3.042,59.
De rechtbank heeft al bepaald dat het Uwv het griffierecht in beroep moet vergoeden. Het Uwv dient daarom alleen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.042,59;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) M.G.J. van Eck