Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:759

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/1279 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurige zorg op grond van de Wlz bevestigd

Appellant, geboren in 1971, diende op 31 maart 2023 een aanvraag in bij het CIZ voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af op 8 juni 2023, een besluit dat werd gehandhaafd bij bezwaar op 8 januari 2024. De afwijzing was gebaseerd op medische adviezen die stelden dat appellant geen blijvende noodzaak had voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid.

De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank concludeerde dat appellant weliswaar ernstige lichamelijke en psychische aandoeningen heeft, maar dat hij in staat is om op relevante momenten zelf om hulp te vragen. De zorg die appellant ontvangt via zijn dochter betekent niet dat permanent toezicht noodzakelijk is.

Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was, met name dat zijn niet aangeboren hersenletsel onvoldoende was meegewogen. Ook stelde hij dat hij bij een val niet zelf om hulp kan vragen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de medische informatie geen noodzaak voor 24-uurs zorg aantoonde.

De Raad zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen en wees het hoger beroep af. De afwijzing van de aanvraag voor zorg op grond van de Wlz blijft daarmee in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor zorg op grond van de Wlz wordt bevestigd omdat appellant geen noodzaak voor 24-uurs zorg kan aantonen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1279 WLZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 mei 2025, 24/643 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het CIZ
Datum uitspraak: 11 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het CIZ de aanvraag van appellant voor zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit wat appellant heeft aangevoerd blijkt niet dat hij niet in staat is om op relevante momenten zelf adequaat om hulp te vragen en deze hulp af te wachten. De Raad benoemt geen deskundige.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Voor appellant is mr. Stam verschenen. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1971, is bekend met verschillende ernstige lichamelijke aandoeningen en psychische klachten. Op 31 maart 2023 heeft appellant bij het CIZ een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Met een besluit van 8 juni 2023, gehandhaafd met een beslissing op bezwaar van 8 januari 2024 (bestreden besluit), heeft het CIZ de aanvraag van appellant afgewezen. Het CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat bij appellant sprake is van de grondslagen somatische stoornis, lichamelijke handicap en psychische stoornis. Volgens het CIZ kan echter niet worden vastgesteld dat bij appellant een blijvende noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid bestaat om ernstig nadeel te voorkomen. Aan deze afwijzing liggen medische adviezen van 6 juni 2023 en 2 november 2023 (later aangevuld) ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de afwijzing zorgvuldig is. Appellant is thuis bezocht en met de familieleden is gesproken over de zorgbehoefte. Vervolgens is onderzoek gedaan, waarbij de medische informatie door de medisch adviseur is betrokken. Er zijn verschillende Wlz-grondslagen vastgesteld. De rechtbank volgt de conclusies van de medisch adviseurs dat van een noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen geen sprake is. Dat de dochter van appellant haar vader volledig verzorgt en daarvoor haar eigen carrière als manager ‘on hold’ heeft gezet, betekent niet dat permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid noodzakelijk is. Uit hetgeen namens appellant is aangevoerd volgt niet dat hij niet in staat is om zo nodig om hulp te vragen. Aanbevolen wordt om samen met appellant en zijn familie te zoeken naar andere mogelijkheden om hulp en steun in te zetten voor de angst-/stemmingsstoornis en het verbeteren van de lichamelijke conditie, waarbij minder sterk een beroep wordt gedaan op de beperkte vermogens tot zelfinzicht en intrinsieke behandelmotivatie. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. Appellant is in de gelegenheid geweest om de conclusies van de medisch adviseur te betwisten en hij heeft hier ook gebruik van gemaakt. Geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de conclusies van de medisch adviseur.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het onderzoek is volgens appellant niet zorgvuldig. Het niet aangeboren hersenletsel is onvoldoende meegewogen. Appellant voelt zich niet gehoord. De medisch adviseur van het CIZ trekt verkeerde conclusies die de rechtbank heeft overgenomen. Het is niet juist dat appellant alleen de huisarts kon bezoeken. Als hij valt, dan kan hij niet zelf om hulp vragen. De medische informatie van de behandelend specialisten laat ernstige blijvende klachten zien.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het weigeren van zorg op grond van de Wlz in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De voor deze zaak van belang zijnde beoordelingsperiode loopt van 31 maart 2023 (datum aanvraag) tot en met 8 januari 2024 (datum bestreden besluit).
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen waarom de rechtbank tot een ander oordeel over de beroepsgronden had moeten komen. Niet gebleken is dat de medisch adviseurs zich op basis van de medische informatie een onjuist of onvolledig beeld hebben gevormd van de medische toestand van appellant ten tijde in geding. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant geen recht heeft op zorg op grond van de Wlz en de overwegingen waarop dat oordeel berust.
4.3.
De door appellant in hoger beroep ingediende medische stukken van onder andere de huisarts, internist-oncoloog [X] en neuroloog [Y] geven geen aanleiding voor een ander standpunt. Het CIZ heeft ter zitting toegelicht waarom deze informatie niet nogmaals is voorgelegd aan de medisch adviseur. Hoewel dat laatste te prefereren zou zijn geweest, kan de Raad hiermee in dit geval instemmen. Het CIZ heeft gemotiveerd dat er al veel medische informatie was en dat de nieuwe medische stukken niet zien op de periode in geding of voor de onderhavige Wlzbeoordeling anderszins niet relevant zijn. Het CIZ heeft dan ook voldoende gemotiveerd dat ook uit de nieuwe medische gegevens niet blijkt dat appellant is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen of dat hij niet in staat is om op relevante momenten zelf adequaat om hulp te vragen en deze af te wachten.
4.4.
Daarom komt de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat het CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op basis van het onderzoek en de medische informatie de noodzaak voor Wlz-zorg niet kan worden geobjectiveerd. Weliswaar heeft appellant verschillende aandoeningen en heeft hij hulp, hiervoor bestaan echter andere voorzieningen.
4.5.
Aan de beroepsgrond dat sprake is van blijvende aandoeningen wordt niet toegekomen nu in 4.3 is vastgesteld dat de noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet kan worden geobjectiveerd.
4.6.
Nu uit het voorgaande volgt dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest, dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zelf medische stukken over te leggen en daarvan ook gebruik heeft gemaakt en appellant onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de inhoudelijke medische beoordeling, bestaat naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van het CIZ om appellant te indiceren voor zorg op grond van de Wlz in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 3.2.1, eerste en tweede lid, van de Wet langdurige zorg
1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,
1° door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2° door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
2. In het eerste lid wordt verstaan onder:
blijvend: van niet voorbijgaande aard;
permanent toezicht: onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen;
ernstig nadeel voor de verzekerde: een situatie waarin de verzekerde:
1° zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten;
2° zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen;
3° ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dreigt toe te brengen;
4° ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad of dreigt te worden geschaad of dat zijn veiligheid ernstig wordt bedreigd, al dan niet doordat hij onder de invloed van een ander raakt;
zelfzorg: de uitvoering van algemene dagelijkse levensverrichtingen waaronder de persoonlijke verzorging en hygiëne en, zo nodig, de verpleegkundige zorg;
regieproblemen: beperkingen in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.