ECLI:NL:CRVB:2026:759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg op grond van de Wlz bevestigd
Appellant, geboren in 1971, diende op 31 maart 2023 een aanvraag in bij het CIZ voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af op 8 juni 2023, een besluit dat werd gehandhaafd bij bezwaar op 8 januari 2024. De afwijzing was gebaseerd op medische adviezen die stelden dat appellant geen blijvende noodzaak had voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank concludeerde dat appellant weliswaar ernstige lichamelijke en psychische aandoeningen heeft, maar dat hij in staat is om op relevante momenten zelf om hulp te vragen. De zorg die appellant ontvangt via zijn dochter betekent niet dat permanent toezicht noodzakelijk is.
Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was, met name dat zijn niet aangeboren hersenletsel onvoldoende was meegewogen. Ook stelde hij dat hij bij een val niet zelf om hulp kan vragen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de medische informatie geen noodzaak voor 24-uurs zorg aantoonde.
De Raad zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen en wees het hoger beroep af. De afwijzing van de aanvraag voor zorg op grond van de Wlz blijft daarmee in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor zorg op grond van de Wlz wordt bevestigd omdat appellant geen noodzaak voor 24-uurs zorg kan aantonen.