Uitspraak
28 november 2025, 24/8614
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld in een enkelvoudige kamer.
Volgens artikel 8:41 Awb Pro is het betalen van griffierecht verplicht bij het indienen van een beroepschrift, en dit geldt ook voor hoger beroep op grond van artikel 8:108 Awb Pro. Appellante is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €147,- en de betalingstermijnen, maar heeft het griffierecht niet voldaan.
Daarnaast dient het beroepschrift volgens artikel 6:5 Awb Pro de gronden van het beroep te bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte geen gronden. Appellante is meerdere malen in de gelegenheid gesteld dit te herstellen, maar heeft geen gronden ingediend. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter D. Hardonk-Prins en griffier A. Giesen op 10 juni 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.