Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:761

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
23/1616 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door zorgkantoor

Het zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Vervolgens heeft het zorgkantoor het hoger beroep ingetrokken. Betrokkene heeft daarop verzocht het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten die redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de behandeling van het hoger beroep.

De Raad heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding in behandeling genomen, partijen geen zitting laten bijwonen omdat zij hier geen behoefte aan hadden, en het onderzoek gesloten. Op grond van artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan bij intrekking van het hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij.

De Raad heeft vastgesteld dat betrokkene redelijkerwijs kosten heeft moeten maken en heeft het zorgkantoor veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten, begroot volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 10 juni 2026.

Uitkomst: Het zorgkantoor wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan betrokkene na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

23/1616 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 april 2023, 22/4671 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
[betrokkene] te [plaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

PROCESVERLOOP

Namens het zorgkantoor heeft mr. B. Megens, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Namens betrokkene heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 12 januari 2026 heeft het zorgkantoor het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. M.F. Vermaat verzocht het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten.
Bij aangetekende brief van 30 januari 2026 heeft de Raad het zorgkantoor in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen tegen het verzoek om vergoeding van proceskosten. Op deze brief heeft de Raad geen reactie ontvangen.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
De Raad stelt vast dat het zorgkantoor het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene in verband met de behandeling van dit hoger beroep redelijkerwijs proceskosten heeft moeten maken.
De Raad ziet aanleiding om het zorgkantoor te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een verweerschrift, met wegingsfactor 1).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen