Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/923 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te laat indienen verzet niet ontvankelijk verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 oktober 2025, waarin het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het hoger beroepschrift niet tijdig was ingediend.

De Raad heeft het verzet behandeld op 30 april 2026. Appellant diende het verzetschrift op 13 januari 2026 in, wat na de wettelijke termijn van zes weken viel. De Raad oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, ondanks het ontbreken van juridische bijstand door appellant.

De Raad benadrukt dat appellant juridische hulp had kunnen zoeken bij het Juridisch Loket of een ander adviesbureau en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt waarom het verzet niet tijdig kon worden ingediend.

Daarom wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

25/923 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2025, LEE 24/3952 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 11 juni 2026

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich online laten vertegenwoordigen door J.W. Heidergott.

OVERWEGINGEN

Appellant heeft op 13 januari 2026 bij de Raad tegen de uitspraak verzet van 14 oktober 2025 gedaan. Op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de artikelen 6:7, 6:8 en 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing bij verzet. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het doen van verzet zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De laatste dag waarop tijdig verzet kon worden gedaan, was 4 december 2025. Het verzet is dus te laat.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na de verzetstermijn ingediend verzetschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant gesteld dat hij te laat is met zijn verzetschrift omdat hij geen juridische bijstand heeft gehad van een juridisch adviseur of een advocaat.
De Raad ziet geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat appellant geen juridische bijstand heeft gehad van een professionele gemachtigde, is daarvoor niet voldoende. Appellant had juridische hulp kunnen zoeken bij het Juridisch Loket of een ander juridisch adviesbureau. Verder was appellant wel in staat om het verzet te formuleren. Daarbij heeft hij - los van zijn stelling over de juridische bijstand - niet duidelijk gemaakt waarom dat niet tijdig kon.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D.M.A. van de Geijn