Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:775

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
23/2756 WSFBSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.5 Wsf 2000Art. 6.6 Wsf 2000Art. 6.12 Wsf 2000Art. 6.16 Wsf 2000Art. 10a.4 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit over resterende duur aflosfase studiefinanciering na bezwaar en beroep

Appellante ontving tussen november 2002 en augustus 2008 studiefinanciering en bouwde een studieschuld op. In 2022 stelde de minister vast dat van de aflosfase van 180 maanden op 1 februari 2022 nog 119 maanden resteerden. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat de startdatum van de aflosfase onjuist was vastgesteld omdat zij in 2010 niet had gevraagd om schorsing van de terugbetalingsperiode.

De minister verklaarde het bezwaar ongegrond en verwees naar het feit dat de aflosfase pas op 1 januari 2017 was gestart na een schorsingsbesluit van juni 2010. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante ging in hoger beroep, maar de Raad oordeelde dat de minister het verzoek van maart 2010 terecht had opgevat als een verzoek tot schorsing van de terugbetalingsperiode zolang appellante student was.

De Raad stelde vast dat appellante geen bezwaar had gemaakt tegen het schorsingsbesluit uit 2010 of tegen het besluit van maart 2015 waarin de startdatum van de aflosfase werd bevestigd. Hierdoor was de startdatum onherroepelijk geworden. De Raad concludeerde dat de resterende duur van de aflosfase terecht was vastgesteld op 119 maanden en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit over de resterende duur van de aflosfase blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2756 WSFBSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 augustus 2023, 22/2205 (aangevallen uitspraak).
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 11 juni 2026

SAMENVATTING

Appellante heeft tussen 1 november 2002 en 31 augustus 2008 studiefinanciering ontvangen en een studieschuld opgebouwd. In 2022 heeft de minister onder een beslissing op een verzoek om verlegging van het peiljaar vermeld dat van de aflosfase van 180 maanden op 1 februari 2022 nog 119 maanden resteerden. Hiermee is appellante het niet eens, maar wat zij daartoe heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat appellantes bezwaar en beroep ten onrechte ongegrond zijn verklaard.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bouhuys.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.
1.1.
Appellante heeft tussen 1 november 2002 en 31 augustus 2008 op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering ontvangen en een studieschuld opgebouwd.
1.2.
Bij bericht van 17 januari 2022 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat op haar verzoek rekening wordt gehouden met een inkomensdaling na het peiljaar bij de bepaling van de bedragen die zij in 2022 op haar studieschuld moet aflossen. Dit leidde ertoe dat appellante van februari 2022 tot en met december 2022 maandelijks niets op haar studieschuld hoefde af te lossen. In een, in het bericht van 17 januari 2022 opgenomen, overzicht is vermeld dat appellante op 1 februari 2022 nog € 17.125,05 studieschuld had en dat van de aflosfase van 180 maanden op dat moment nog 119 maanden resteerden.
1.3.
Vervolgens heeft appellante bezwaar gemaakt op de grond dat de resterende duur van de aflosfase bij het onder 1.2 aangeduide besluit onjuist is vastgesteld. Dit bezwaar is bij beslissing van 28 maart 2022 (bestreden besluit) door de minister ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar artikel 6.5 van de Wsf 2000 en in aanmerking genomen dat appellante na de stopzetting van haar studiefinanciering (en verlenging van de voor haar geldende diplomatermijn) nog tot september 2014 heeft gestudeerd, en dat de terugbetalings-periode in verband daarmee na een verzoek van appellante van maart 2010 bij besluit van 6 juni 2010 is geschorst. De aflosfase van appellante is uiteindelijk pas op 1 januari 2017 gestart, zodat op 1 februari 2022 nog 119 maanden van haar aflosfase resteerden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante daartoe heeft aangevoerd wordt hieronder besproken.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
De Raad stelt vast dat de omvang van de studieschuld van appellante op 1 februari 2022 en de berekening van het in 2022 maandelijks door haar terug te betalen bedrag niet in geschil zijn. Het geschil beperkt zich blijkens het hoger beroepschrift tot de vraag of op 1 februari 2022 nog 119 maanden resteerden van de aflosfase van appellante.
5.2.
Appellante heeft in hoofdzaak aangevoerd dat zij de minister in maart 2010 niet heeft gevraagd om haar terugbetalingsperiode te schorsen, maar om haar draagkracht vast te stellen. Volgens appellante gaat de minister er daarom ten onrechte vanuit dat de aflosfase van appellante pas op 1 januari 2017 is gestart. Het schorsingsbesluit van 6 juni 2010 heeft appellante naar haar zeggen destijds niet ontvangen. Omdat de minister volgens appellante uitgaat van een onjuiste startdatum van de aflosfase, is de op 1 februari 2022 nog resterende duur van de aflosfase volgens appellante eveneens onjuist vastgesteld.
5.3.
De Raad verwerpt het standpunt dat appellante ingenomen heeft. Gelet op de bewoordingen van het verzoek van appellante van maart 2010, heeft de minister dit kunnen en mogen opvatten als een verzoek van appellante om de terugbetalingsperiode te schorsen zolang zij student was en geen studiefinanciering genoot. Indien appellante haar verzoek anders zou hebben bedoeld dan opgevat door de minister, had het op haar weg gelegen om de schorsing te beëindigen door bezwaar te maken tegen het schorsingsbesluit van 6 juni 2010 of – als zij het schorsingsbesluit niet zou hebben ontvangen – tegen het uitblijven van besluiten waarbij haar draagkracht (jaarlijks) werd vastgesteld.
5.4.
Appellante heeft bovendien geen bezwaar gemaakt tegen een besluit van 6 maart 2015 waarin haar is medegedeeld dat haar aflosfase op 1 januari 2017 zou aanvangen. Met dit besluit is de datum van de start van de aflosfase onherroepelijk geworden. Overigens heeft zij tot 2022 evenmin bezwaar gemaakt tegen verschillende besluiten over de aflossing die (mede) zijn gebaseerd op 1 januari 2017 als startdatum van haar aflosfase.
5.5.
Gelet op 5.3 en 5.4 heeft de minister de resterende duur van de aflosfase van appellante naar het oordeel van de Raad bij besluit van 17 januari 2022 terecht vastgesteld op 119 maanden. Bij het bestreden besluit is dit besluit dan ook terecht in stand gelaten en de rechtbank heeft het beroep van appellante hiertegen terecht ongegrond verklaard.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet studiefinanciering 2000
Artikel 6.5. – Terugbetalingsperiode
1. De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten.
2. De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.
3. Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst:
a. van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, geniet;
b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw student is en geen studiefinanciering geniet; of
c. op de wijze bepaald krachtens artikel 6.19b zolang de debiteur opnieuw student is en levenlanglerenkrediet geniet.
4. (…)
5. De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog student is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield student te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
Artikel 6.6. – Aanloopfase
1. De aanloopfase beslaat de eerste 2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode.
2. Gedurende de aanloopfase bestaat geen verplichting tot terugbetaling.
Artikel 6.12. – Terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.10 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien:
a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon in het peiljaar, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
Artikel 6.16. – Garantiebepalingen
1. De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.
2. De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.
Artikel 10a.4. – Aflosfase
De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 10a.6, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. (…)
Artikel 10a.7. – Vaststelling draagkracht debiteur
1. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
4. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling.

Artikel 10a.8. – Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis

1. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
(…)