ECLI:NL:CRVB:2026:776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging hoge eigen bijdrage Wlz-zorg ondanks motiveringsdiscussie
Appellant ontving zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en werd door het CAK geconfronteerd met een hoge eigen bijdrage van € 568,58. Na bezwaar verklaarde het CAK dit besluit ongegrond en lichtte toe dat de hoge eigen bijdrage vanaf de vijfde maand verblijf in de instelling geldt, conform dwingendrechtelijke regels. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het oorspronkelijke besluit van 2 februari 2024 weliswaar weinig motivering bevatte, maar dat dit niet leidde tot onzorgvuldigheid of onvoldoende motivering, mede omdat het CAK nadere uitleg gaf in het bezwaarbesluit.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de motivering onvoldoende was en dat de verwijzing naar de website en klantenservice niet volstond, zeker gezien de aanzienlijke verhoging van de eigen bijdrage. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde en dat de rechtbank de beroepsgronden voldoende had gemotiveerd. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het CAK eventuele motiveringsgebreken in het oorspronkelijke besluit had hersteld met het bestreden besluit.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand bleef. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan door C.W.C.A. Bruggeman namens de Centrale Raad van Beroep op 11 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot oplegging van de hoge eigen bijdrage blijft in stand.