Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:776

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/1188 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet langdurige zorgArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oplegging hoge eigen bijdrage Wlz-zorg ondanks motiveringsdiscussie

Appellant ontving zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en werd door het CAK geconfronteerd met een hoge eigen bijdrage van € 568,58. Na bezwaar verklaarde het CAK dit besluit ongegrond en lichtte toe dat de hoge eigen bijdrage vanaf de vijfde maand verblijf in de instelling geldt, conform dwingendrechtelijke regels. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het oorspronkelijke besluit van 2 februari 2024 weliswaar weinig motivering bevatte, maar dat dit niet leidde tot onzorgvuldigheid of onvoldoende motivering, mede omdat het CAK nadere uitleg gaf in het bezwaarbesluit.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de motivering onvoldoende was en dat de verwijzing naar de website en klantenservice niet volstond, zeker gezien de aanzienlijke verhoging van de eigen bijdrage. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde en dat de rechtbank de beroepsgronden voldoende had gemotiveerd. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het CAK eventuele motiveringsgebreken in het oorspronkelijke besluit had hersteld met het bestreden besluit.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand bleef. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan door C.W.C.A. Bruggeman namens de Centrale Raad van Beroep op 11 juni 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot oplegging van de hoge eigen bijdrage blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1188 WLZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2025, 24/4633 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
CAK
Datum uitspraak: 11 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een besluit tot oplegging van de hoge eigen bijdrage aan appellant in verband met Wlz-zorg. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat, voor zover al een motiveringsgebrek kleefde aan dit besluit, het CAK dit heeft hersteld met het bestreden besluit. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.Y. Römer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1
Met een besluit van 2 februari 2024 heeft het CAK bepaald dat appellant een hoge eigen bijdrage van € 568,58 verschuldigd is in verband met de zorg die hij op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) ontvangt voor zijn verblijf in een instelling. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Met een besluit van 23 april 2024 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het CAK heeft toegelicht dat appellant gedurende de eerste vier maanden van zijn verblijf in de instelling de lage eigen bijdrage verschuldigd was. Vanaf de vijfde maand moet appellant de hoge eigen bijdrage betalen. Het CAK heeft de hoge eigen bijdrage vastgesteld op grond van dwingendrechtelijke regels. Appellant heeft niet onderbouwd dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het CAK van de dwingendrechtelijke regels zou moeten afwijken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 2 februari 2024 weinig uitleg bevat over de reden van de verhoging van de eigen bijdrage, maar dat dit niet leidt tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd is. Het CAK heeft toegelicht dat in het besluit van 2 februari 2024 niet veel juridische motivering is opgenomen om te voorkomen dat mensen door te veel uitleg niet snappen wat er staat. Het CAK verwijst mensen naar de website van het CAK waar een aanvullende toelichting is te vinden over de eigen bijdrage voor Wlz-zorg. Ook wordt verwezen naar de klantenservice van het CAK die telefonisch vragen kan beantwoorden. In het bestreden besluit is verder toegelicht wat de juridische grondslag is voor de oplegging van de hoge eigen bijdrage voor appellant. Het is gangbaar dat in een bezwaarprocedure een nadere toelichting en motivering wordt gegeven van een besluit. Voor zover al een gebrek kleefde aan het besluit van 2 februari 2024, heeft het CAK dat dan ook hersteld met het bestreden besluit.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat in het besluit van 2 februari 2024 niet voldoende is gemotiveerd waarom voor appellant de hoge eigen bijdrage is gaan gelden. Omdat het gaat om een aanzienlijke verhoging van de verschuldigde eigen bijdrage had het CAK dit zorgvuldig moeten motiveren. De verwijzing naar de website en de klantenservice van het CAK is onvoldoende. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het CAK niet kunnen volstaan met reparatie van deze tekortkoming in bezwaar.
Het standpunt van het CAK
3.2.
Het CAK heeft in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat hij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak voldoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
De Raad is het volledig eens met de overwegingen van de rechtbank en het oordeel waartoe de rechtbank op basis van deze overwegingen is gekomen en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad voegt daaraan toe dat, voor zover aan het besluit van 2 februari 2024 een gebrek zou kleven, niet kan worden ingezien dat het CAK dat gebrek met de gegeven motivering in het bestreden besluit niet zou hebben kunnen herstellen.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) C.C.M. van 't Hol