Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:777

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/906 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurige zorg op grond van de Wet langdurige zorg bevestigd

Appellant, met psychiatrische en somatische klachten, vroeg op 2 november 2023 langdurige zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af omdat geen blijvende behoefte aan 24-uurs zorg in de nabijheid kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de medische adviezen zorgvuldig waren opgesteld en alle relevante medische informatie waren betrokken.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling niet zorgvuldig was en dat recente medische informatie uit 2025 en 2026 een verslechtering van zijn situatie en een grotere zorgbehoefte aantoonde. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat de medische stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel en dat de zorg op geplande momenten, eventueel gecombineerd met zorg op afroep, toereikend is zonder ernstig nadeel.

De Raad concludeerde dat het CIZ terecht het standpunt innam dat de noodzaak voor Wlz-zorg niet geobjectiveerd kon worden. Er was geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor Wlz-zorg wordt bevestigd omdat de noodzaak voor 24-uurs zorg niet is aangetoond.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/906 WLZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2025, 24/5818 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het CIZ
Datum uitspraak: 11 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het CIZ de aanvraag van appellant voor zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad benoemt geen deskundige.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1961, is bekend met klachten en beperkingen als gevolg van psychiatrische en somatische problematiek en fysieke en cognitieve klachten. Op 2 november 2023 heeft hij een aanvraag gedaan voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). [1]
1.2.
Het CIZ heeft met het besluit van 23 januari 2024, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 13 augustus 2024 (bestreden besluit), deze aanvraag afgewezen. Het CIZ heeft de grondslagen somatische en psychische aandoening vastgesteld. Een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel heeft het CIZ echter niet kunnen vaststellen. Hieraan heeft het CIZ medische adviezen van 22 januari 2024 en 26 juni 2024 ten grondslag gelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Anders dan appellant heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat de medische adviezen van 22 januari 2024 en 26 juni 2024 zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Een medewerker van het CIZ heeft een huisbezoek afgelegd, de huisarts en de wijkverpleegkundige zijn geconsulteerd en de medisch adviseurs hebben alle beschikbare medische informatie bij de beoordeling betrokken en alle medische klachten van appellant in onderlinge samenhang bezien. Wat appellant heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de medische adviezen. De enkele stelling van appellant dat hij niet zelfredzaam is bij de dagelijkse verrichtingen en een dringende behoefte heeft aan voortdurende begeleiding en verpleging is onvoldoende, zoals blijkt uit een uitspraak van 17 april 2024 van de Raad. [2] Het verzoek om een deskundige te benoemen heeft de rechtbank afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Op grond van de informatie van de huisarts en van Nedap Healthcare (Omaha) had geconcludeerd moeten worden dat de Wlz van toepassing is. Het medische onderzoek is niet zorgvuldig. Dit wordt volgens appellant bevestigd door recente informatie van zijn behandelend specialisten uit 2025 en 2026. De situatie is verslechterd en de hulpbehoevendheid nijpender geworden. Er bestaat een vergroot risico voor flauwvallen, paniekaanvallen en verkeerd medicijngebruik. Hij kan dan niet alarmeren. Geplande zorg is niet afdoende en de klachten zijn blijvend. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit van het CIZ in stand heeft gelaten. De Raad doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De voor deze zaak van belang zijnde beoordelingsperiode loopt van 2 november 2023 (datum aanvraag) tot en met 13 augustus 2024 (datum bestreden besluit).
4.2.
Na het oordeel over een eerdere weigering van Wlz-zorg in de uitspraak van 17 april 2024 is de aard en noodzaak van de zorgbehoefte niet dusdanig gewijzigd dat appellant nu wel geïndiceerd moet worden voor de Wlz. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de medisch adviseurs van het CIZ alle medische informatie bij de beoordeling hebben betrokken en hebben gemotiveerd dat in de door appellant gestelde zorgbehoefte kan worden voorzien met zorg op geplande momenten, eventueel in combinatie met zorg op afroep, en dat appellant deze zorg zonder ernstig nadeel kan afwachten.
4.3.
De door appellant in hoger beroep ingediende medische stukken geven geen aanleiding voor een ander standpunt. Het CIZ heeft ter zitting toegelicht waarom deze informatie niet nogmaals is voorgelegd aan de medisch adviseur. Hoewel dat laatste te prefereren zou zijn geweest, kan de Raad hiermee in dit geval instemmen. Het CIZ heeft gemotiveerd dat er al veel medische informatie was en dat deze medische stukken een herhaling zijn van de medische informatie die al is beoordeeld. Het CIZ heeft dan ook voldoende gemotiveerd dat ook uit de nieuwe medische stukken niet blijkt dat appellant is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen of dat hij niet in staat is om op relevante momenten zelf adequaat om hulp te vragen en deze af te wachten.
4.4.
Daarom komt de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat het CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op basis van het onderzoek en de medische informatie de noodzaak voor Wlz-zorg niet kan worden geobjectiveerd. Dat appellant verschillende klachten en beperkingen heeft, doet daaraan niet af.
4.5.
Nu uit het voorgaande volgt dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest, dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zelf medische stukken over te leggen en daarvan ook gebruik heeft gemaakt en appellant onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de inhoudelijke medische beoordeling, bestaat naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van CIZ om appellant in aanmerking te brengen voor Wlz-zorg in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet langdurige zorg
Artikel 3.2.1, eerste en tweede lid
1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,
1° door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2° door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
2. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. blijvend: van niet voorbijgaande aard;
permanent toezicht: onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen;
ernstig nadeel voor de verzekerde: een situatie waarin de verzekerde:
1° zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten;
2° zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen;
3° ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dreigt toe te brengen;
4° ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad of dreigt te worden geschaad of dat zijn veiligheid ernstig wordt bedreigd, al dan niet doordat hij onder de invloed van een ander raakt;
zelfzorg: de uitvoering van algemene dagelijkse levensverrichtingen waaronder de persoonlijke verzorging en hygiëne en, zo nodig, de verpleegkundige zorg;
regieproblemen: beperkingen in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.

Voetnoten

1.Voor een eerdere aanvraag wordt verwezen naar de uitspraak van 17 april 2024 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2024:801.