Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:785

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
22/379 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren. Na het nemen van een herzieningsbesluit op 18 april 2024, waarbij appellant alsnog een bijstandsuitkering werd toegekend met terugwerkende kracht tot 2 november 2019, heeft appellant het hoger beroep ingetrokken. Het bestuursorgaan was het niet eens met een proceskostenveroordeling omdat het herzieningsbesluit op andere gronden was genomen dan in het beroepschrift was aangevoerd en omdat reeds bijzondere bijstand was verleend voor de kosten van het beroep.

De Raad overwoog dat bij tegemoetkoming door het bestuursorgaan in beginsel proceskosten worden toegewezen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het feit dat het herzieningsbesluit op andere gronden is genomen, vormt geen bijzondere omstandigheid. De Raad veroordeelde het dagelijks bestuur daarom in de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in bezwaar, voorlopige voorziening, beroep en hoger beroep.

De proceskosten werden begroot op in totaal €4.402,-, waarbij geen rekening werd gehouden met de reeds verleende bijzondere bijstand voor griffierechten. De Raad veroordeelde het dagelijks bestuur tot betaling van dit bedrag aan appellant. De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat op 16 juni 2026.

Uitkomst: Het dagelijks bestuur wordt veroordeeld tot betaling van €4.402,- aan proceskosten aan appellant na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

22/379 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 december 2021, 20/6446
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 16 juni 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E. de Glopper, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Vervolgens heeft mr. R. Wouters, advocaat, de zaak van mr. De Glopper overgenomen.
De gemachtigde van appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De gemachtigde van appellant heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het dagelijks bestuur op 18 april 2024 een herzieningsbesluit heeft genomen. Met het herzieningsbesluit is aan appellant vanaf 2 november 2019 alsnog een bijstandsuitkering toegekend. Daarmee is volledig aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen.
Het dagelijks bestuur heeft laten weten zich niet te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten. Het stelt zich daarbij op het standpunt dat het herziene besluit van
18 april 2024 is genomen op andere gronden dan de gemachtigde van appellant in het beroepsschrift heeft aangevoerd, namelijk gewijzigde rechtspraak. Ook is er reeds op
12 april 2022 bijzondere bijstand verleend aan appellant voor het instellen van het (hoger) beroep en het betalen van het griffierecht, waardoor appellant geen bijkomende kosten meer heeft.
De Raad overweegt het volgende. In geval van tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Indien, bijvoorbeeld, de noodzaak om beroep (of hoger beroep) in te stellen uitsluitend is te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf, kan gesproken worden van een bijzondere omstandigheid. [1] Het gegeven dat op andere dan de aangevoerde gronden een nieuw besluit is genomen, levert geen bijzondere omstandigheid op.
Nu aan appellant tegemoet is gekomen, ziet de Raad aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, de voorlopige voorziening, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 666,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift), € 934,- voor de procedure van voorlopige voorziening (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift),
€ 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift), waarbij aan elk punt wegingsfactor 1 toekomt (gemiddeld). Dit komt neer op een totaalbedrag van € 4.402,-. De Raad houdt hierbij geen rekening met de door het dagelijks bestuur in het kader van bijzondere bijstand betaalde eigen bijdrage voor rechtsbijstand, zoals door het dagelijks bestuur is verzocht. In de bijlage van het Bpb is namelijk een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen, en in vergoeding van de te betalen eigen bijdrage is niet voorzien.
Uit de stukken blijkt dat het dagelijks bestuur bij besluiten van 19 juni 2020 en
12 april 2022 aan appellant bijzondere bijstand heeft toegekend voor het betalen van het griffierecht. Dit betreft een totaalbedrag van € 184,- wat overeenkomt met de door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten (€ 48,- in beroep en € 136,- in hoger beroep). Het dagelijks bestuur hoeft deze kosten dan ook niet nogmaals te vergoeden.
Bovenstaande betekent dat de Raad het dagelijks bestuur veroordeelt in de door appellant gemaakte kosten van € 4.402,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.402,-.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:397.