Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:786

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
26/304 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen beroepsgronden

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Deze bepaling is ook van toepassing op het hoger beroep.

Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden. Appellante is bij brief van 12 maart 2026 in de gelegenheid gesteld dit binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn laten verstrijken. Vervolgens is bij aangetekende brief van 13 april 2026 opnieuw een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling.

Appellante vroeg uitstel, dat bij brief van 29 april 2026 werd verleend met een nieuwe termijn tot 27 mei 2026. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan. Pas op 5 juni 2026 werden aanvullende gronden ontvangen, buiten de gestelde termijn. Er zijn geen redenen gebleken die het verzuim verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt zonder inhoudelijke behandeling beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden.

Uitspraak

26/304 PW, 26/305 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
6 januari 2026, 24/4474 en 25/283
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 12 maart 2026 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 13 april 2026 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Via e-mailbericht van 22 april 2026 heeft appellante de Raad verzocht om uitstel voor het indienen van de beroepsgronden.
Bij aangetekende brief van 29 april 2026 heeft de Raad dit uitstel verleend en appellante in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na datum van die brief de gronden van het hoger beroep in te dienen. Daarbij is appellante erop gewezen dat nader uitstel niet verleend zal worden en dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De in de brief gestelde termijn eindigde aldus op 27 mei 2026. Appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Op 5 juni 2026 zijn aanvullende gronden ontvangen. Dit is buiten de door de Raad gestelde termijn.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor het verzuim van het niet tijdig indienen van de hogerberoepsgronden. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.