Uitspraak
6 januari 2026, 24/4474 en 25/283
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Deze bepaling is ook van toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden. Appellante is bij brief van 12 maart 2026 in de gelegenheid gesteld dit binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn laten verstrijken. Vervolgens is bij aangetekende brief van 13 april 2026 opnieuw een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling.
Appellante vroeg uitstel, dat bij brief van 29 april 2026 werd verleend met een nieuwe termijn tot 27 mei 2026. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan. Pas op 5 juni 2026 werden aanvullende gronden ontvangen, buiten de gestelde termijn. Er zijn geen redenen gebleken die het verzuim verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt zonder inhoudelijke behandeling beslist.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden.