Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:787

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
26/362 TOZO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en ontbreken machtiging belangenbehartiger

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De belangenbehartiger van appellant werd meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €147,- binnen gestelde termijnen. Ondanks deze aanmaningen is het griffierecht niet voldaan.

Daarnaast heeft de belangenbehartiger nagelaten een schriftelijke machtiging bij het hoger beroepschrift te voegen, zoals vereist op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Ook na herhaalde verzoeken om deze machtiging alsnog te overleggen, bleef deze uit.

Gezien het ontbreken van het griffierecht en de machtiging, en het ontbreken van verontschuldigbare redenen voor deze nalatigheden, verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van een machtiging van de belangenbehartiger.

Uitspraak

26/362 TOZO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2026, 25/4531
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.P. van der Roest (belangenbehartiger) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 5 maart 2026 is de belangenbehartiger erop gewezen dat een griffierecht van
€ 147,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 7 april 2026 is de belangenbehartiger nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, er rekening mee moet worden houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Verder kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb van een belangenbehartiger om een schriftelijke machtiging worden verzocht. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De belangenbehartiger heeft nagelaten om bij het ingediende hogerberoepschrift een machtiging over te leggen. Bij brief van 16 maart 2026 is aan de belangenbehartiger verzocht om binnen vier weken een schriftelijke machtiging in te zenden.
De belangenbehartiger heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 16 april 2026 is de belangenbehartiger nogmaals de gelegenheid geboden de verlangde machtiging in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is hij erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De belangenbehartiger heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor deze verzuimen.
Gelet op de omstandigheid dat, zonder verontschuldigbare reden, het griffierecht niet is betaald en de gevraagde machtiging niet is overgelegd, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.